“Je kunt geen wegen tot de oneindigheid aanleggen.”

Vlaams minister van Verkeer Hilde Crevits heeft het niet makkelijk. Wie in haar gebied even echt flink op het gaspedaal drukt, rijdt binnen onafzienbare tijd over andermans grondgebied. Wallonie, Brussel en Nederland zijn nooit ver weg. Dus gaat Crevits er prat op goede relaties te hebben met haar collega’s. Duidelijk goed gemutst laat ze weten: “Ik ervaar dat elke dag.”

210 kilometer. Dat is de afstand die minister Hilde Crevits (1967) elke dag weer aflegt om van haar huis naar haar kabinet (Vlaams voor ministerie) in Brussel te komen. 105 kilometer werken en bellen heen, 105 kilometer werken en bellen terug, want christen-democratische politica woont nog altijd in haar geboorteplaats Torhout.

Elke dag op en neer, en Crevits doet dat niet om als minister de staat van de wegen te controleren. Nee, als een een echte Vlaamse politica is ze stevig verankerd in haar eigen regio. Ze is er geboren en getogen en begon er haar politieke carriere. Nog altijd is ze naast minister ook gemeenteraadslid in de kleine gemeente onder de rook van Brugge.

De Vlaming en de kerktoren van de plek waar ze ter wereld kwamen, het blijft een onverslaanbaar duo. Over de vraag welke weg de minister zelf het meest koestert, hoeft ze niet lang na te denken: “De E403 van Kortrijk naar Brugge met afrit Torhout, dat is mijn afrit naar huis,” klinkt het resoluut. “Ik heb deze afrit al op alle mogelijke uren van de dag gezien, in het donker, in de opgaande of ondergaande zon en ook al in de regen en de mist. Het is hetzelfde maar toch telkens anders… en het is ook wel telkens thuiskomen.”

(foto: www.hildecrevits.be)

In de volksmond mag Crevits dan minister van verkeer genoemd worden, officieel prijkt er ‘mobiliteit en openbare werken’ op haar visitekaartje. Behalve van snelwegen, op- en afritten en strooizout is ze ook minister van “Busje komt zo” zoals ze het zelf typeert. Openbaar vervoer dus. Om alles ingewikkeld te houden is ze niet de enige met een dergelijk ambt in Belgie. De federale regring van het land, Brussel en Wallonie hebben ieder hun eigen mobiliteitsminister.

Een Vlaams minister van verkeer. Het zal vooral onze Nederlandse lezers wat vreemd in de oren klinken. Heeft een klein land als België niet genoeg aan een Belgische minister van verkeer?
“Mijn bevoegdheden mobiliteit en openbare werken zijn ruimer dan de investeringen in wegen alleen. Tot mijn pakket behoort ook het openbaar vervoer, havens, regionale luchthavens, bruggen, waterwegen, verkeerseducatie, kustverdediging… Vlaanderen staat voor grote uitdagingen door zijn specifieke situatie: heel veel lintbewoning, veel verstedelijkte gebieden die kort op elkaar liggen, enkele grote economische poorten met een invloed op de mobiliteit… Deze specifieke (grondgebonden) situatie vraagt ook een gerichte aanpak en die doen we via het Vlaamse mobiliteitsbeleid.”

Toch kunnen bussen, wegen en stranden niet praten en hebben dus weinig met taal te maken. Bovendien: zowel Wallonië als Vlaanderen hebben toch belang bij een goed en op elkaar aangesloten wegennet. Levert dat echt geen (verkeers)opstoppingen op?
“Er zijn gemeentewegen en gewestwegen. En tot voor kort waren er ook nog provinciewegen. Net zoals in andere federale staten zoals Duitsland en Zwitserland zijn er in België een aantal bevoegdheden overgeheveld van de federale staat naar de gewesten. Maar wees gerust, onze wegen en ons openbaar vervoernetwerk sluiten op elkaar aan. Dat ervaar ik zelf elke dag.”

Hoe liggen de verhoudingen tussen de Belgische staatssecretaris van mobiliteit en u als Vlaams minister?
“Mijn relatie met mijn federale collega, staatsecretaris voor Mobiliteit Etienne Schouppe, is uitstekend! We hebben ook regelmatig overleg. Ook met mijn andere collega’s van het Brussels en Waals gewest heb ik contact.”

De grootste uitdaging van iedere minister van verkeer is om iets te doen aan de grootste frustratie van de automobilist: de files. U heeft er vast wel eens over nagedacht, enig idee hoe dit probleem op te lossen zou zijn?
“Er is geen simpele oplossing voor de files. Het vereist een integrale aanpak. Uit een recent verplaatsingsonderzoek blijkt dat alle Vlamingen samen zo’n 21 miljoen verplaatsingen per dag doen. We nemen de auto voor ruim tweederde van alle verplaatsingen. Opmerkelijk is dat bij de helft van de mensen die op maximaal 5 km van hun werk wonen, toch de auto gebruiken. Hier is nog een groot potentieel voor de fiets. De huidige cijfers geven stof tot nadenken over hoe we in de toekomst gaan verplaatsen. De bevolkingsgroei, de vergrijzing en de daling van het aantal mensen per gezin zullen er enkel voor zorgen dat we ons nog meer gaan verplaatsen. We kunnen geen wegen tot in de oneindigheid aanleggen.

“In beleid zet ik nu in op verschillende sporen: investeren in fietspaden om meer mensen op de fiets te krijgen, net zoals in Nederland, waar er een echte fietscultuur is. Verder wil ik het openbaar vervoer meer vraaggestuurd maken en om de doorstroming op de weg te verbeteren wil ik zogenaamde slimme wegen aanleggen. Dat kan met dynamische borden zodat de weggebruikers over accurate info beschikken en hun traject kunnen aanpassen.

“Ook wil ik een aantal missende verbindingen aanleggen. Tegen het einde van mijn legislatuur moeten er zes in uitvoering zijn: Noord Zuid Kempen, Noord Zuid Limburg, derde scheldekruising in Antwerpen, de A11 naar Zeebrugge, N60 rondweg in Ronse, vervollediging van de zuidelijke tak van de R4 in Merelbeke.”

Waar liggen in de nabije toekomst de andere grote uitdagingen in het Vlaamse verkeer?
“Infrastructuur moet sterk, veilig en slim zijn. Ik ben gestart met een grote inhaaloperatie om de onderhoudsachterstand in te lopen. De autosnelwegen wil ik weer in goede staat hebben tegen 2015, de gewestwegen tegen 2020. Gevaarlijke kruispunten worden systematisch aangepakt, zodat ongevallen dalen. Verder streef ik naar een juiste verhouding tussen fiscaliteit en prijs. Rond 2013 willen we een kilometerheffing voor vrachtwagens invoeren. Voor personenwagens willen we een vergroening van de autofiscaliteit op basis van milieucomponenten van de auto’s.

“Tot slot wil ik inzetten op multimodaliteit. Als we ons verplaatsen moeten we niet exclusief kiezen voor het ene of het andere vervoersmiddel, maar voor een combinatie. Daarom moeten er naadloze overstappunten voor personenvervoer komen, van fiets naar trein, bus en/of auto.”

(foto: www.hildecrevits.be)

Nederland
Spannender dan de interne Belgische mobiliteitsverhoudingen is wellicht de relatie met Nederland. De Vlaamse en Nederlandse regeringen steggelen wat af. Nederland doet moeilijk over ontpolderen in Zeeland en Vlaanderen jaagt de Nederlandse automobilist op kosten door een wegenvignet in te voeren. Hoog tijd de Vlaamse minister te vragen naar de verhoudingen met het buurland.

Heeft u regelmatig contact met uw Nederlandse collega?
“Sinds de vorming van de nieuwe Nederlandse regering heb ik al een paar keer minister Melanie Schultz van Haegen ontmoet onder andere over de nieuwe sluis van Terneuzen. De gesprekken zijn zeer constructief.”

Ik begrijp dat u hier een diplomatiek antwoord geeft maar toch zijn er nogal wat zaken die niet helemaal soepel lopen. Denk maar eens aan de ijzeren rijn, de Hedwigepolder en het wegenvignet. Waarom zitten de twee buurlanden elkaar op dit gebied eerder dwars dan dat ze elkaar sterker te maken?
“Kijk, ieder heeft in elk dossier zijn eigen aandachtspunten. En daarover moeten we samen tot een vergelijk komen. En dat proberen we te doen door constructief met elkaar te overleggen.”

CV Hilde Crevits

1967 geboren te Torhout

1985-1990 studie rechten in Gent

2000-2004 provinciaal raadslid CD&V, West-Vlaanderen

2001-2007 eerste schepen (wethouder, red.) in Torhout

2004-2007 Parlementarier Vlaams parlement

2007-2009 Vlaams minister van openbare werken, energie, leefmilieu en en Natuur

2001-heden gemeenteraadslid Torhout

2009-heden Vlaams minister van mobiliteit en openbare werken

Hilde Crevits is getrouwd met architect Kris Devolder. Het stel heeft twee kinderen.

Pronk: West turns a blind eye to Sudan slaughter

Dit interview met voormalig VN-gezant in Sudan (2004-2006) Jan Pronk maakte ik voor Radio Netherlands Worldwide.

The Western world is turning a blind eye to the slaughter in the Sudanese region South Kordofan, says former UN Special Representative in Sudan Jan Pronk. He led the UN peace-keeping operation in Sudan from 2004-2006. According to Pronk, it’s time for the United Nations Security Council to act.

How do you explain the current crisis in South Kordofan?
Jan Pronk: “The Comprehensive Peace Agreement has led to the independence of South Sudan this summer. But not everything has been settled in the peace treaty, in particular, the status of three specific areas in Sudan inbetween the north and the south: Abyei, the Nuba Mountains – or South Kordofan – and Blue Nile.”

“After South Sudan became an independent state, these three areas more or less ended up in a vacuum. The struggle continues, mainly in Abyei and the Nuba Mountains. Abyei is the area where the war between the north and south began. The rebels in South Kordofan, continue to fight for independence.”

Is a new genocide taking place?
Jan Pronk: “The northern forces are killing people on a large scale. We shouldn’t be asking whether or not they are carrying outs acts of genocide in South Kordofan. We need to stop the violence and the slaughter now!”

“The Southerners are being bombed and killed. The northern forces are using more or less the same tactics as they always did in the south: killing people in villages, bombing villages, killing people on horseback – exactly what they did in Darfur and continue to do in Darfur. The same tactics!”

What should the international community do to protect these people?
Jan Pronk : “I’m afraid that the West at the moment is turning a blind eye to what’s going on in South Kordofan, because the West is afraid to irritate al-Bashir. They need al-Bashir to maintain some stability over the implementation of the 2005 peace treaty. They need him to respect the independence of South Sudan.”

“The South doesn’t give much support to the populations of these three areas because they are afraid that if they give support to these people – military or political – it will be the start of a new war between the north and the south.”

So what about the United Nations?
Jan Pronk: “We should definitely do something. What is happening at the moment is not in accordance with the peace treaty. The United Nations Security Council should take steps to continue working with the peace force UNMISS (United Nations Mission in Sudan) and give it a chapter seven mandate, which means a mandate to protect people against the will of the leaders over there. That’s a decision that has to be taken by the Security Council.”

“But you first have to put the issue on the agenda of the Security Council. I know it’s difficult because the Chinese and the Russians are perhaps very good friends with al-Bashir. But the Americans are also very good friends with al-Bashir. That means that the Europeans should put the issue on the agenda.”

“It’s difficult because at the moment there are so many issues on the agenda of the Security Council. I can understand that some countries say: It’s too much. We cannot deal with everything. But they have to understand that not dealing with issues like this also makes them responsible for the victims of non-action.”

“Een land met caviapolitie leek ons een mekka”

Noodweer maakte dat het paspoortproject ‘Stranding’ van Linda Pijnacker en Roeland Troost afgelopen zondag afgelast werd. Terwijl hun nagebouwde drenkelingenhuisje bijna bezweek onder het water, kregen ze toch nog bijzonder bezoek. Een kleine zeehond trotseerde weer en wind: “Ik wilde deze voorstelling per se zien!”

In de loods van Hessel Wiegman in West-Terschelling ligt de zeehond die zichzelf ‘Oerol’ noemt er relaxed bij. “Ik begrijp niet waar jullie je zo druk om maken,” zegt hij terwijl hij een visje weghapt. “Niet dat ik iets te klagen heb, de Wiegman geeft me geweldig te eten.”

Het is een wat vreemd contrast, nog niet zo lang geleden waren de spelers van Strading, Oerolproducent Bastiaan de Leeuw en zeehondenopvanger Hessel Wiegman nog in rep en roer. Bij strandpaal 6 was namelijk een jonge zeehond gevonden zonder zijn moeder. Omdat het beest niet wilde praten noemden ze hem Oerol.

“Ik ben wel blij met die naam Oerol,” zegt het beest dat zijn verhaal exclusief aan de Oerolkrant vertelt. “Eigenlijk hoor ik hier namelijk niet te zijn. We komen uit Denemarken maar zijn dat land ontvlucht wegens het populistische klimaat. Mijn moeder had gehoord dat er in Nederland een aparte dieren- en caviapolitie is, dat land leek ons een mekka.”

Dus zwom ‘Oerol’ met zijn moeder zonder papieren naar de Waddenzee. “Toen ik voor het eerst mijn kop hier uit het water stak, zag ik dat jullie nog veel meer hebben dan een dierenpolitie. Ik hoorde prachtige muziek en zag mensen op het strand mooie bewegingen maken. Fantastisch gewoon! Ik ben verder gezwommen en zag steeds weer iets anders. Ik begreep dat er bij paal 6 ook zo’n voorstelling was dus ben ik daarheen gezwommen. Eenmaal aangekomen bleek alles afgelast wegens het slechte weer. Nou ja, stelletje mietjes ik zwem toch ook gewoon door hoog water?”

Teleurgesteld zocht ‘Oerol’ zijn heil op het droge. Door al die mooie kunst had ‘Oerol’ niet echt op zitten letten en was hij zijn moeder kwijt. Eilander Wiegman nam het beest mee naar zijn loods om het daar wat tot rust te laten komen. Direct na dit interview gaat hij op de boot naar de wal.

“Ik ga zo naar Pieterburen jullie speciale azielzoekerscentrum voor zeehonden, ik hoop dat ik daar een verblijfsvergunning krijg want ik wil later graag Oerolacteur worden. Al heb ik begrepen dat daar hier steeds minder geld voor is, vreemd hoor want jullie hebben wel een dierenpolitie… Trouwens wat doen die agenten eigenlijk? Criminele eksters oppakken?”

Dit interview met een zeehond verscheen eerder in de Oerolkrant 2011. Illustratie: Bas van der Schot

Cycling Sehaal klinkt door weer en wind

Van klotsende golven tot loeiende koeien en juichend festivalpubliek: theaterfestival Oerol op het waddeneiland Terschelling staat deze feestelijke dertigste editie in het teken van het hele scala (eiland)geluiden. Elke dag zijn eigen eilandgeluid.

Genieten van stilte en rust op het idlyllische eiland Terschelling? Ho maar! Niets daarvan! Nauwelijks heb ik een fiets weten te bemachtigen of ik maak hernieuwd kennis met mijn beste vijand van het eiland: de wind.

Ik ben niet alleen, om mij heen krijsen en gillen vogels onheil, schijnbaar in de waan dat hun hysterische roep de luwte kan brengen. De wind heeft zich pal tegen mij gekeerd alsof ik hier niet welkom ben. Hard duwt hij me terug en beukt ondertussen dreigend op mijn trommelvliezen. Onder mijn banden spatten schelpen snerpend in nog kleinere delen uiteen. “Trap harder”, hijg ik in mijn hoofd. “Harder, harder: Je kunt hem aan.” Ik maak me klein, buig me over mijn stuur en zet mijn benen aan tot een grootse prestatie.

Dan ineens gaat de wind liggen en breekt de zon door. Het is net alsof het stil is. Mijn oren horen weer details: hoe vogels van krijsen naar zingen gaan, hoe een boot in de verte vaarwel toetert. Ik richt mij op, alsof ik ontwaak uit een nare droom. Mijn gedachten sturen mijn spieren niet meer aan maar nemen de vrije loop. Alles lijkt anders geworden, of nee, toch: het enige dat weer en wind trotseert is het geluid van mijn band die onverstoorbaar als een dwars puberkind schelpjes verbrijzelt.

Stef Kamil goes Africa

Mamadou heeft het koud en Stef Kamil gaat er op zijn coolst bij zitten. We zijn in het Amsterdamse Oosterpark en vóór hun optreden in het Tropenmuseum praten we over de rellen in het West-Afrikaanse Burkina Faso. Slaat de Arabische lente ook daar toe?

De Belg Stef Kamil Carlens (Zita Swoon Group) reisde onlangs naar Burkina voor een geweldig muzikaal een-tweetje met onder meer balafonist en Burkinabé Mamadou Diabaté. Luister naar deze reportage die ik maakte voor Radio Netherlands Worldwide: Stef Kamil & Mamadou

YouTube voorvertoningsafbeelding

DRIN!

„Nu we even in Berlijn wonen moeten toch minstens een keer vet gaan clubben…“ een terechte opmerking van een van mijn uitwisselingscollega Ariane. Berlijn is de party hoofdstad van Europa en dat moet je natuurlijk gevierd hebben. „Misschien zaterdag…“ antwoorde ik.

„Ga je mee naar Berghain?“ voegde Ariane al op vrijdag de daad bij het woord. Het zou dus vanavond al gebeuren… Wist ik waar ik aan begon? Ariane had twee vriendinnen bij zich die mij wisten te vertellen dat deze tent totaal „Der Waaaaaaahnsinn“ was. Op de fiets dan maar. De GPS op mijn mobieltje wijst ons de weg, we laten grote doorgaande wegen achter ons en rijden uiteindelijk bijna ‘off road’ over een fabrieksterrein.

Daar in de middennachtelijke stadsschemering doemt hij op, de oude elektriciteitscentrale die tegenwoordig dienst doet als drie-dubbele- disco. Ondanks zijn dikke industriele muren is aan het gedreun duidelijk te horen dat het feestje al begonnen is. Heb ik hier zin in? Ik kijg alle tijd dat te bedenken want de rij voor de deur is minstens 30 minuten lang. Even geduld dus.

Daar staan we dan, eerst tussen lage dranghekken, daarna een tussen een hogere variant die normaal voor koeien bedoeld zijn. We kijken naar de deur. Er staat een man met lange zwartgrijze manen, zijn gelaat bedekt met tatoeages en grote stukken staal in zijn oren, lippen en neus. Hij kijkt iedere aspirant bezoeker aan en bromt dan iets. Tot mijn verbazing stuurt hij de helft van mensen die naar binnen willen weg.

Heb ik wel de juiste schoenen aan? Kan mijn vaal-zwarte capuchontrui wel? En grootste zorg: die bril van mij is die wel hip genoeg? Normaal doe ik uit principe niet aan disco’s met een vleeskeuring, maar nu blijf ik staan. Ik wil weten wie wel naar binnen komt en wie niet. Ik observeer, een stel met muffige hippies met dreadlocks komt erin, een groep Indiërs niet en twee Afrikanen weer wel, net als een hip uitgedoste kantoorklerk. Wat ik ook probeer er valt geen lijn in het deurbeleid te ontdekken.

In de rij kom ik wat meer te weten over het oord waar we voor de deur staan. De Berghain is een van de bekendste clubs van Berlijn en er doen de meest wilde verhalen de ronde. In 2009 uitgeroepen tot beste technotent in de wereld, tegelijkertijd zouden er iedere avond meer dan vijf sexuele contacten per vierkante kilometer zijn en schijnen er ook wilde homofeesten met een eindeloze reeks darkrooms plaats te vinden. En dan heb je natuurlijk het deurbeleid dat opzichzelf al even beroemd is als de DJ‘s binnen.

Dan is ons ‘uur u’ aangebroken. De haast buitenaardse verschijning van een uitsmijter kijkt ons aan en bromt nauwelijks te verstaan of we met z’n tweeën zijn. “Ja!” antwoord ik met een voor deze situatie opmerkelijke, maar door irritatie aangewakkerde, zekerheid. Ik lieg dat ik barst want enkele momenten eerder zijn er al twee van onze vriendjes door de ballotage gekomen. Een kort knikje naar rechts is de uitslag: we mogen naar binnen.

Na het betalen van een kaartje a raison van 12 euro krijg ik een stempel op mijn hand die eenvoudigweg ‘DRIN’ zegt. Een lange trap voert ons naar boven, een soort schacht in, de herrie tegemoet. Boven staan zo’n honderd mensen als bezetenen te dansen. Met elkaar zijn ze niet bezig, wel met de DJ die ze een haast religieuze ode brengen. De muziek is rauw, grillig en eclectisch. Natuurlijk het is techno maar rare maatsoorten worden niet geschuwd en de klanken doen ook aan Tool en Rammstein denken. Dit is vet, heel vet. De luidsprekers in de hoeken van de dansvloer zijn duidelijk gebouwd voor volume niet voor mooie klank. Mijn broekpijpen beginnen te wapperen en of nu wil of niet ik dans. Ik moet wel want alles, ook de grond onder mijn voeten, beweegt hier door de knallend harde beat.

Na mijn eerste rondje dansen besluit ik mijn oren toch een beetje te beschermen. In een toilet van trainspottingsoort vind ik wc papier dat gelukkig schoon genoeg is om in mijn oren te proppen. We zwerven door het gebouw: overal duistere hoekjes, in verschillende zalen andere DJ’s en een bonte stoet aan dansende mensen. Nog steeds geen lijn in de bezoekers te bekennen. Aan de muren hangt zo nu en dan een pikantie foto maar wij vinden op onze weg door het pand geen enkele darkroom en zien ook nergens een openlijke vrijpartij. Wel allerhande plekken die voor een intiem samenzijn uiterst geschikt zijn.

Om vijf uur ben ik de druk op mijn oren meer dan zat. Ik besluit naar huis te gaan. Ik loop naar buiten en zie tot mijn verbazing nog honderden mensen in rij staan. Waarschijnlijk gewapend met poeders en pillen denken zij nog lang niet aan een warm bed. Dit is echt the city that never sleeps, bedenk ik mij op de fiets. Eenmaal thuis merk ik dat ik zeker wat frequenties in mijn gehoor ben kwijt geraakt. Maar: het was de moeite waard. Total der Wahnsinn die Berghain!

Wie wil weten hoe de uitsmijter van de Berghain eruit ziet hieronder een filmpje, geschoten op een kerkhof. Wat blijkt? De meest gevreesde uitsmijter van Berlijn blijkt behalve deurkapo ook een gevoelige fotograaf te zijn:

YouTube voorvertoningsafbeelding

foto Berghain: s.alt

Een grimmige Koninginnedag

1 mei dag van de arbeid! Dus pak je s’ochtends je biezen en ga je naar je werk. Het is dat het vandaag zondag is, anders hadden wij Nederlanders dat massaal gedaan. In vrijwel elk ander land kijken mensen hier met gefronste wenkbrauwen naar. Is de dag van de arbeid niet juist om je even aan het juk van die eeuwige sleur te ontrekken?

In Duitsland bijvoorbeeld is 1 mei een haast heilige feestdag. De meeste mensen trekken erop uit of slapen hun roes van het mei-feest de dag ervoor uit. Wie iets meer vertier wil, bezoekt een van de vele feestjes die deze dag in Duitsland zijn. In Berlijn is het centrum van de eerste mei activiteiten te vinden rond U-bahnstation Kottbuser Tor in Kreutzberg.

Het heeft wel iets weg van Koninginnedag. Hordes mensen proppen zich door de straten, jong en oud vertonen hun muzikale en (semi)theatrale kunsten en het bier vloeit rijkelijk. Het enige wat op het eerste gezicht ontbreekt is de vrijmarkt. Toch doet een groep er een beetje aan denken: Turkse ondernemers staan aan de kant van de straten met een brede grijs op het gezicht kilo’s köfte aan de man brengen. Voor hun betaalt de dag van arbeid misschien wel meer dan een enkel dagje vrij. Je ziet ze rekenen: dit jaar misschien een extra weekje Turkije?

Even denk je: het valt best wel mee, het is gewoon een volksfeest. Maar dan ineens, zo tegen het eind van de middag kleurt de Kottbuser Tor zwart. Uit alle hoeken en gaten stromen ze toe. Gehuld in leren jassen, zwarte capuchontruien en opvallend vaak nike-sportschoenen. Ze noemen zich autonoom, anarchist, anti-globalisten of in elk geval iets dat links en tegendraads klinkt. Ze dragen rode vlaggen, protestborden en ze scanderen leuzen.

Gegen Atomkraft! Gegen Gentrificierung! Gegen Kapitalismus! Gegen…. Om mij heen is iedereen tegen. Gegen Nazis! Gegen Amerika! Bundestag Hurensohn! Huh? Ik knipper met mijn ogen, het lijkt een grote flashback van een tijd die ik een beetje ken als kind. Zoveel punkkapsels en gescheurde broeken heb ik in geen jaren meer gezien.

Ik zoek een lijn in het protest maar kan hem niet vinden. Tegen het systeem betekent voor iedereen hier wat anders. Nou ja … Tegen de politie zijn ze in ieder geval allemaal. Wie hier niet tegen is, is oom agent. Als groene riviertjes bewegen de bromsnorren zich in een sliert door de massa of ze staan als kleine eilandjes in de mensenzee met een man of vijf in een rondje, de ruggen naar elkaar toe. Allemaal hebben ze zo’n grote ME helm in hun handen. Ze kijken angstig en controleren zo nu en dan tas.

Waar ben ik eigenlijk tegen? Ik stel mezelf deze ‚maatschappij krietiese‘ vraag en denk na. Eigenlijk niks. Ik ben vooral voor, voor de zon die schijnt, nu op dit moment. Laat ik een terras zoeken. Ik pak mijn fiets en verlaat de betoging.

Terwijl ik slalommend tussen de politiebusjes rijd, bedenk ik toch iets waar ik tegen ben: de monarchie! Even twijfel ik, moet ik terug gaan en hard ‚Beatrix raus!‘ gaan roepen? Dan bereik ik het feestinferno dat bij de Kottbuser Tor achtergelaten is: vieze straten, vette lucht en zatte mensen. De vrolijkheid is hier ver te zoeken, oom agent is ook hier overal en zo nu en dan roept iemand, die doet alsof het feest nog gaande is, iets provocerends in hun richting. En dan schrik ik, stel je voor: Nederland zonder Koninghuis… Dat betekent geen Koniginnedag en voor je het weet gaan we dan ook tegen het systeem terug naar de jaren tachtig. Nee! Ik zet volgend jaar gewoon mijn oranje muts weer op en daarom mag Bea best blijven.

De Kans van het Nederlands

Nederlands in de Cariben

Voor het project One11 van de Italie-correspondent Bas Mesters maakte ik een portret van Floyd Woodley, grote held op een klein eiland:

Floyd Woodley, directeur van de Governor de Graaffschool op Sint-Eustatius, is er altijd voor zijn leerlingen, ook buiten schooltijd. “Als kind werd ik geïnspireerd door mijn oom. Zijn motto: als leraar moet je altijd aanwezig zijn, ook buiten school. Ik geloof dat ik dat heb overgenomen.”

Het is drukkend warm als ik op Sint-Eustatius van het kleine vliegveld loop naar het centrum Oranjestad, de enige plaats op het eiland. In de lucht verraden grauwe wolken de komst van de tropische storm Otto, die spoedig het openbare leven zal platleggen. Het is een vreemde gewaarwording: ik ben duizenden kilometers van huis en toch zal dit eiland niet lang na mijn bezoek een bijzondere gemeente van Nederland zijn. Een biologische rastaboerderij, palmbomen en een slapende vulkaan, werkelijk niets op dit exotische oord lijkt op Nederland. Ik zoek de Governor de Graaffschool en wanneer ik een passerende rijksgenoot de weg vraag, antwoordt deze in rollend Caraïbisch Engels: “Ah! Floyds school.”

Voor elke kerk een school
Ik ben op Sint-Eustatius om groep 8 van de Governor de Graaffschool te interviewen voor een Nederlandse kinderkrant. Ik had gedacht dat een 3500 zielen tellend eiland als Sint-Eustatius wel genoeg zou hebben aan één schooltje, maar op internet stuit ik op liefst vier basisscholen. Katholieken, methodisten en zevendedagsadventisten, op dit religieuze eiland heeft elke kerk zijn eigen lagere school. Voor alles wat er na deze religieuze scheiding nog overblijft, is er ten slotte nog de Governor de Graaffschool, die als openbare school geen leerlingen mag weigeren.

Na een wandeling door het centrum van Oranjestad met zijn rijkdom aan Nederlandse koloniale architectuur kom ik aan bij het lichtgroen en -blauw geschilderde schooltje, haast idyllisch gelegen tegen een groene bergwand. Alle lokalen zijn gelijkvloers en liggen L-vormig om het schoolplein heen. De lessen zijn nog bezig, een vrouw wijst me het lokaal waar directeur Floyd Woodley zich bevindt.

Woodley, een licht grijzende man met een gezellig buikje en een ringbaardje, zit midden in een kring kleuters. Steeds geeft hij een van de kinderen in het Nederlands een ondeugende opdracht: hij laat ze iets doen wat ze in de normale les nooit mogen. Ik zie kleuters op stoelen staan, onder tafels doorkruipen en rondjes rennen.

‘Nederlands leren is leuk’
Na afloop van de les vertelt Woodley dat ik zojuist getuige ben geweest van ‘Total Physical Respons’, een methode om kinderen door gerichte opdrachten een taal te leren. Woodley heeft het er maar druk mee. Nu Sint-Eustatius een (bijzondere) gemeente van Nederland wordt, neemt ook de taal van het koninkrijk aan de Noordzee weer in belang toe. “Dat is best lastig”, vertelt Woodley. “Een deel van het lerarencorps beheerst het Nederlands onvoldoende, en daarom moet ik het vaak zelf doen. Tel daarbij op dat de kinderen hier op school uit alle hoeken van het Caraïbisch gebied komen. Slechts een enkeling spreekt thuis Nederlands. De meesten praten alleen Engels, en de Dominicanen zelfs alleen maar Spaans. Toch probeer ik ze overtuigen dat het leuk is om Nederlands te leren.”

In de pauze is het een komen en gaan van leerlingen. De kleintjes laten Woodley tekeningen zien, oudere leerlingen komen vertellen wat hun plannen voor het weekend zijn. Woodley speelt constant met de taal. Engels mag, maar regelmatig begint hij uitdagend in het Nederlands. Hij geeft complimentjes, waarna de kinderen trots het schoolplein op rennen.

Trots
Je zou het leren van Nederlands als belemmering kunnen zien. Het is de taal van het volgens sommige Antillianen zo boze en bemoeizuchtige Nederland. Bovendien: waarom zou je een kleine taal als het Nederlands leren als je wereldtalen als Engels en Spaans thuis met de paplepel ingegoten krijgt? “Nee, het is helemaal geen belemmering”, valt Woodley me vol geestdrift in de rede. “Ik ben er trots op een Nederlander te zijn. We horen al zo lang bij elkaar. Het Nederlands hoort erbij.” Bovendien, zegt hij, biedt goede beheersing van het Nederlands de mogelijkheid in Nederland te gaan studeren.

Het leren van een andere taal heeft alleen maar voordelen, vindt Woodley. “Toen ik op de lerarenopleiding op de Maagdeneilanden zat, vonden andere studenten ons Antillianen vreemd omdat we zo’n raar taaltje spraken. We werden door onze studiegenoten als exotisch gezien. Maar al snel bleek dat wij, doordat we al een andere taal spraken, veel beter waren in Spaans.”

Wie de kleine Floyd Woodley in zijn jeugd op het eiland in actie zag, had vast niet verwacht dat hij ooit zelf leraar zou worden. “Ik was erg ondeugend en allesbehalve een modelleerling. Het hoofd van de school heeft mijn vader er zelfs een keer op aangesproken. Ik was daarvan zo onder de indruk dat ik mijn leven heb gebeterd.”

Oom
Woodley ging zijn best doen en na de middelbare school op Aruba besloot hij toch leraar te worden. Na een eerste opleiding op de Maagdeneilanden studeerde hij door in New York. Dat hij uiteindelijk terugkeerde naar zijn geboorteland had alles te maken met zijn oom die 44 jaar als leraar op Sint-Eustatius werkte. “Hij was echt de hele dag in weer en stond ook buiten schooltijd altijd voor de leerlingen klaar”, vertelt Woodley.

Net als zijn oom is Woodley ook na school in de weer. Een beetje actieve leraar op een klein eiland heeft eigenlijk nooit vrij. Zo leidt hij de jongerendrumband van de katholieke kerk, organiseert hij jaarlijks de Boekenweek voor de bibliotheek en is hij betrokken bij het educatieve programma van het plaatselijke museum. Ondertussen vergeet hij ook zijn familie niet: elk weekend brengt hij gebakken brood bij hen langs. “Als je op zo’n klein eiland woont, ben je eigenlijk nooit vrij en vallen mensen je altijd lastig. Tegelijk kun je daardoor veel bereiken. Niemand ontsnapt aan je aandacht.”

Woodleys Nederlands is vlekkeloos, terwijl hij er maar één keer twee weken geweest is. In de dagen na mijn bezoek aan de Governor de Graaffschool kom ik hem opvallend vaak tegen, hij lijkt echt iedereen op het eiland te kennen, van jong tot oud.

Toch houdt ook Woodley deze intensieve manier van leven niet altijd vol. In de schoolvakanties verlaat hij het eiland om op een zeilboot rond te dobberen op de Caraïbische Zee. “Dan zet ik mijn telefoon uit en kom ik even helemaal tot rust.”

Lees ook de reportage die ik over Groep 8 van de Governor de Graaffschool schreef voor de kinderkrant Kidsweek.

Stukken en brokken uit de realiteit

Flash! Een felle korte lichtstoot schiet over een provinciale weg. Wat zouden automobilisten hiervan denken? ‘Shit, reed ik te hard?’ Fotograaf Jimmy Kets heeft wel eens meegemaakt dat een snelheidsduivel omdraaide om te kijken of hij zojuist gesnapt was door een flitspaal. ‘Er komt nog een dag dat ik een klap op mijn bakkes krijg,’ zegt Kets lachend. ‘Maar je moet er wat voor over hebben om de juiste foto te maken.’

Heel wat kilometers legt Kets af voor zijn nieuwe project ‘Shot in Flandres’ waarin hij Amerikaanse invloeden in Vlaanderen wil vastleggen. Makkelijk is anders. Als je goed kijkt is het meeste om ons heen gewoon van ‘eigen’ Europese makelij. Om de slagingskans te vergroten, zoekt Jimmy Kets (1979) het aan de randen van de stad. ‘Laten we naar de Kortrijkse Steenweg gaan,’ zegt Kets als we vanuit Gent vertrekken. Loerend over zijn stuur schieten zijn ogen van de weg via zijn spiegels naar de weg en terug. Maar Kets kijkt constant verder dan de gemiddelde automobilist, soms wijzend op een mooie, vreemde of geestige combinaties in het voorbij trekkend landschap.


In België zijn talloze steenwegen. Ooit waren dit de eerste verharde levensaders die, bol van de bedrijvigheid, steden aan elkaar regen. Met de komst van snelwegen verloren veel steenwegen hun centrale functie. De snelweg, de vooruitgang. Het viel allemaal samen met uit de Verenigde Staten overwaaiende zaken als carwashes, supermarkten met parkeerplaatsen en drive inn vettigheid. Juist dit soort Amerikaanse zaken hebben zich opvallend vaak juist aan die steenwegen gevestigd. Goed bereikbaar en ruimte zat op die plekken waar eens stinkende industrie stond. De steenwegen hebben zich ontpopt tot oorden waar mensen met de auto snel hun ding doen en dan weer vertrekken. Om de voorbijgangers in hun bolide te overtuigen toch even te stoppen, staan er schreeuwerige borden langs de kant van de weg.

Kets vertelt in korte zinnen en zo is zijn rijstijl ook. Vaak net begonnen of hij stopt en zet zijn auto aan de kant om iets te gaan bekijken. “Kijk daar, het lijkt wel of die voor ons is neergezet!” zegt hij bij de derde stop. Voor ons staat een zilvergrijze Lincoln te blinken in de late november zon. Hij stapt uit en loopt een paar rondjes om de auto terwijl hij allerhande details van de bolide van dichtbij bekijkt. Dan pakt hij zijn camera en flits. “Nu begint het echt moeilijke werk,” legt Kets uit. “Ik wil er een tijdloos beeld van maken waarvan je ook niet direct het idee krijgt dat het in Vlaanderen geschoten is.” Na enig speuren door de lens kiest Kets voor het interieur van de auto met op de achtergrond fastfoodketen Quick. “Ik weet het: Quick is Frans, maar het is wel een drive inn en dat is weer heel Amerikaans.”

Het resultaat werkt bevreemdend. Het flitslicht kaatst heel hard van de banken van de auto je gezicht in terwijl juist de omgeving wordt weggedrukt. Dat is precies wat Kets wil. “Ten opzichte van mijn dagelijkse werk als persfotograaf wil ik in mijn eigen werk het accent verleggen, naar dingen die je normaal niet opvallen. Flitsen helpt daarbij want het werkt heel confronterend: je ziet alles.” We rijden verder maar vinden vandaag nauwelijks goede spots met een Amerikaans tintje. Wel opvallend veel verlaten bordelen trekken onze aandacht. Als ik Kets suggereer dat dit misschien wel een mooie volgende serie is, zegt de fotograaf die met zijn camera ook graag professioneel op erotiekbeurzen komt lachend: “Wie weet, dit project begon ook met kuit van een wulpse dame waar Elvis op getatoeëerd was.”

do 17 mrt 2011 t/m zo 20 mrt 2011
Jimmy Kets Brightside/Shot in Flandres
Waar? Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond, Nes 45, Amsterdam
In het kader van Belgie?!…
Opening: donderdag 17 maart, 17u00

Stromae waarschuwt België

De inmiddels wereldberoemde Belgo-Rwandese artiest Paul van Haver, alias Stromae, wilde ook wel wat kwijt over de toestanden in zijn land. Bij deze:

“België heeft geen genocide gehad. Gelukkig. Maar de Belgen zitten met de handen in het haar dankzij dezelfde soort stommiteiten! Bullshit, domheid. Om onze taal.”

“Ik denk dat de politiek dichterbij de mensen moet staan, in plaats van eigenbelang na te streven. Het gaat om menselijke problemen.”

Geen idee wie deze (ook in Vlaanderen) razend populaire muzikant is? Kijk hieronder naar zijn megahit ‘Alors on Danse’. Alors on forme ?

YouTube voorvertoningsafbeelding