Auteursarchief: Sophie van Leeuwen

De kledingberg in VN

DE KLEDINGBERG

Kleding is bijna net zo ‘bederfelijk’ als voedsel geworden: een shirtje voor anderhalve euro, een winterjas voor vijf tientjes, je koopt zo weer een nieuwe. De textielafvalberg groeit mee met onze winkelverslaving. ‘De enige innovatie is dat we vervuiling en arbeid geoutsourcet hebben.’

‘Ik ben heeeel blij dat Primark hier gaat openen… yuppiiii lalalala.’ ‘Oh yeaah! Wat ontzettend gaaf!’ ‘Waar kunnen we solliciteren?’

Een winterjas voor vijfentwintig euro, een feestjurk voor zeventien euro. Meer dan achtduizend vierkante meter Primark, zeven verdiepingen Amazing Fashion for Amazing Prices komen in december in Amsterdam. Tienermeisjes maken zich online op voor een stormloop op 124 pashokjes, kleding, tassen, schoenen en kerstrommel.

De allerlaatste trends kosten weinig. Zo’n shirtje van tien euro zal niet jaren meegaan, maar dat hoeft ook niet. De mode is je net aangeschafte garderobe snel voorbij geraasd. Fast fashion is meer dan één zomer en één wintercollectie. Iedere maand hangen er weer nieuwe items in de rekken boven op de vier hoofdcollecties.

Volgend jaar opent er weer een vestiging van Primark in Hilversum. Het jaar daarop kunnen Tilburgers shoppen bij de Ierse keten. Ook modebedrijven als het Zweedse Hennes & Mauritz en het Britse Topshop blijven meer winkels openen in Nederland.

HET SYSTEEM KRAAKT

‘Mode is bijna net zo bederfelijk geworden als voedsel,’ zegt Michiel van Yperen van MVO Nederland, een netwerk- en kennisorganisatie die overheden en bedrijven helpt om zo maatschappelijk verantwoord mogelijk te ondernemen. ‘Een jas droeg je vroeger tien jaar. Nu wordt elke maand of soms elke twee weken een nieuwe collectie gepresenteerd.’

Fast fashion, voor iedereen bereikbaar, heeft een keerzijde. Het systeem kraakt in zijn voegen, getuige de ingestorte fabriek in Rana Plaza, in Bangladesh in 2013. Meer dan duizend textielarbeiders vonden de dood in het puin. In de fabriek werd kleding gemaakt voor westerse ketens. Onder meer de goedkope laatste mode van Primark, Benetton en Mango werd in Rana Plaza in elkaar gestikt.

Maar er is nog een probleem: er is een gigantische, groeiende berg afval. Elk jaar wordt wereldwijd drie tot vier procent meer textiel geproduceerd dan het jaar ervoor. In Nederland wordt jaarlijks tweehonderdvijftig miljoen kilo textiel afgedankt. Bijna tweederde wordt verbrand volgens een rapport van Ernst & Young, ‘Circulaire Economie in de textielketen’, gemiddeld vijftien kilo stof per persoon.

De afvalberg bestaat grotendeels uit katoen, het meest vervuilende landbouwgewas op aarde. Voor de productie van een T-shirt zijn duizenden liters water nodig. Om te voorkomen dat de waardevolle katoenplanten worden opgevreten, worden heel veel pesticiden en insecticiden gebruikt. Een kwart van alle pesticiden ter wereld belandt op witte pluizige bollen in landen als China, de Verenigde Staten, India en Oezbekistan.

En dan is er nog niet eens verf, bleek of finishing aan te pas gekomen. Rivieren in het Verre Oosten worden vergiftigd en de arbeidsomstandigheden zijn zorgelijk. De Nederlandse overheid en de industrie hebben zeker de ambitie om dit te verbeteren, getuige bijvoorbeeld het textielconvenant dat de Nederlandse overheid begin dit jaar met de belangrijkste spelers uit de textielindustrie sloot, maar de zo broodnodige systeemverandering is niet in zicht, aldus Van Yperen.

Zoals de textielindustrie er vroeger in Twente en Tilburg uitzag, zo smerig is die nu nog. Alleen zien we het niet meer, want het gebeurt in Azië. Van Yperen: ‘Noch de industrie, noch dit convenant is gericht op echte verandering. Je kunt fabrieken controleren, maar controleurs kunnen worden omgekocht of orders worden doorgezet naar andere ateliers die een stuk ranziger zijn. Het is niet waterdicht.’

Het huidige businessmodel is onhoudbaar, bijna negentiende-eeuws, vindt hij. ‘De enige innovatie is dat we vervuiling en arbeid geoutsourcet hebben, dat het goedkoop is. Het negentiende-eeuwse model blijft overeind.’

TIEN KEER MEER INZAMELEN

De verandering in het consumptiepatroon van kleding heeft ook gevolgen voor het bedrijf Sympany, een van de grootste kledinginzamelaars in Nederland. In een net geopend sorteercentrum in Harderwijk dumpen talloze vrachtwagens iedere dag weer bergen kleding. Sinds drie jaar groeit de hoeveelheid kleding die Sympany te verstouwen krijgt ieder jaar met acht tot tien procent.

Mensen met een arbeidsbeperking laten onderbroeken, mutsen, broeken en knuffels door hun vingers gaan. ‘Soms zitten er zulke mooie dingen tussen,’ zegt Beata Orzechowska, hoofd van het sorteringsproces in de hal. ‘Ik had laatst zo’n mooie zijden blouse, geweldige kwaliteit.’ Haar handen glijden over elkaar, alsof de blouse weer door haar vingers gaat. ‘Soms zie je hier kleding voorbijkomen, dat is gewoon kunst.’

Nederlanders gooien mooie dingen weg, vindt Orzechowska. Onlangs was ze op werkbezoek in de buurt van Berlijn. ‘Vreselijk,’ zegt ze. De kleding in de bakken was ouderwets en tot op de draad versleten. Ook in haar geboorteland Polen is de kwaliteit stukken beroerder dan hier. ‘Alleen in Scandinavië zijn de afdankertjes nog mooier.’

Toch kunnen we tien keer meer inzamelen dan we nu doen, volgens Ernst & Young. Wereldwijd meer recyclen zou ons zeventig miljard euro aan materiaal besparing opleveren, berekende de Ellen Mac­Arthur Foundation. En dat zorgt weer voor extra banen, aldus de stichting die onderzoek doet naar circulaire economie.

Dat afgedankte kleding geld waard is, weten de Nederlandse gemeenten. Sympany betaalt jaarlijks vier miljoen euro aan de staatskas voor het mogen neerzetten van containers. Liefdadigheidsorganisaties zoals het Leger des Heils en Sympany en commerciële partijen bieden tegen elkaar op om de bakken te mogen plaatsen.

Twee op de drie afgedankte kledingstukken wordt doorverkocht. Van de winst, drie miljoen euro, financiert Sympany ontwikkelingsprojecten, vooral in Afrika. Sympany steekt dus niet, zoals veel mensen denken, arme weesjes in verre landen in een tweedehands pakje, maar verkoopt de kleren zelf door aan lokale handelaren om vervolgens bijvoorbeeld jonge Afrikanen een vakopleiding te laten doorlopen.

Modieuze kleding van goede kwaliteit komt in Nederlandse tweedehands kledingwinkels terecht. Iets minder mooie spullen zijn voor Oost-Europa, Oekraïne en Rusland. De derde categorie gaat naar Afrika. Redelijke kleding gaat naar landen als Ethiopië en Kenia. De slechtste, nog draagbare kwaliteit is voor de allerarmste landen zoals Malawi. De arme maar modebewuste Congolezen zijn niet geïnteresseerd in afdankertjes.

En dan is er ook nog een categorie die helemaal niet meer draagbaar is. Orzechowska haalt een kinderjas uit een van de metalen rekken. De mouwen zijn beduimeld, aan de voorkant zitten kleine gaatjes. ‘Dit kun je niet meer verkopen.’ De jas zal in het beste geval worden verwerkt tot poetslap of isolatiemateriaal voor de auto-industrie of voor bouwproducten.

De laatste jaren krijgt Sympany steeds meer textiel aangeboden, maar ook steeds meer ondraagbare spullen. Directeur Marc Vooges: ‘Mensen weten inmiddels dat ze ook gordijnen en dekens in onze bakken mogen gooien, waardoor het volume stijgt. Maar met een kussen kunnen wij weinig.’

Ook de waarde van weggegooide kleren wordt minder. Door de voort­razende collecties is een kledingstuk sneller uit de mode en bovendien is de kwaliteit minder dan vroeger. ‘Soms vallen de gaten er al in na één seizoen.’ En dan rest niets anders dan recycling voor de auto-industrie of poetslappen.

Vooges zou dat graag anders zien, maar de techniek om vezels hoogwaardig te recyclen tot nieuwe garens staat nog in de kinderschoenen, al is het technisch wel mogelijk. Veel stoffen zijn hevig bewerkt en ze bestaan vaak uit verschillende materialen. Wol of nylon, zijde of katoen, ze mogen dan misschien met elkaar in één kledingstuk zitten, het zijn totaal andere stoffen met andere eigenschappen.

RECYCLINGGOEROE

‘Het kan niet zo verder gaan. Dat shirt voor anderhalve euro inkopen, afdanken en vervolgens in de fik steken? Ergens zal de kledingmarkt zich moeten aanpassen, want dit is onhoudbaar,’ zegt luitenant-kolonel Rob van Arnhem. Behalve voor de inkoop van bedrijfskleding voor Defensie is hij ook verantwoordelijk voor de kledinginkoop van alle andere ministeries: van toga’s voor rechters tot broeken voor boswachters en gevechtskleding voor ME’ers. Daarbij heeft hij zich ontwikkeld tot recyclinggoeroe van de Nederlandse overheid. Het grootste knelpunt is volgens Van Arnhem de textiel afvalberg. Anders dan in de hevig concurrerende kledingbranche, let hij niet alleen op de goedkoopste leverancier. Hij mag maatschappelijk verantwoord inslaan. Zijn budget: twintig miljoen euro per jaar.

‘Ik heb rivieren gezien die rood zijn van de verfstoffen, geloosd door elfhonderd ververijen in Bangladesh. Ik heb mensen gezien die tot hun middel wit zijn omdat ze voor hun werk in de bleek staan. En het gaat er niet meer af,’ vertelt Van Arnhem.

Dus besloot hij in 2014 handdoeken en overalls in te kopen van ten minste tien procent gerecyclede stof. Maar toen hij zijn plan voorlegde aan de leveranciers, begon het gemor. Hoe zouden ze dat moeten doen? Het zou twee keer zo duur worden. Het kon niet. Of misschien ook weer wel. ‘Ze hadden eigenlijk geen idee.’

Van Arnhem: ‘Tot 2013 werden al onze legeruniformen na gebruik verbrand. Dat kostte klauwen vol geld, een half miljoen euro om precies te zijn. Nu worden de uniformen vervezeld. Dat levert tien tot twaalf miljoen euro per jaar op.’

Maar als recyclen zo goedkoop is, waar blijven dan de commerciële partijen? Natuurlijk is er een gigantisch verdienmodel, denkt de luitenant-kolonel, maar grote kledingbedrijven zijn wars van pionieren. ‘De kledingmarkt heeft een hoge doorstroom, lage marges en veel concurrentie. Om te investeren, moet je zekerheid hebben. Dat maakt hen afwachtend.’

Dan moet je als overheid die voortrekkersrol pakken, laten zien dat het wél kan, vindt Van Arnhem. Want die handdoeken en overalls komen er: dit voorjaar krijgt Defensie handdoeken van 36 procent gerecycled materiaal, en overalls gemaakt met 14 procent hernieuwde garen. De productie bleek lang niet zo ingewikkeld als de leveranciers Van Arnhem aanvankelijk voorhielden. Er komt een omslag aan, voorspelt hij. Er is een momentum. ‘Als ik het vuurtje moet aanwakkeren, dan is dat maar zo. Ja, de kledingindustrie is een supertanker. Maar ik zie de sector bewegen. Het is mijn vaste overtuiging. Er is geen weg terug.’

DE HEILIGE GRAAL

Maar zou zo’n omslag ook denkbaar zijn in de mode-industrie? Een overall is wel iets anders dan een overhemd of zomerjurkje. James Veenhoff van House of Denim, een innovatieplatform binnen de mode-industrie, is optimistisch. De techniek is er al, beaamt ook hij. ‘Maar wil je echt iets veranderen, dan moet je met iets komen dat er goed uitziet, hetzelfde kost en niet zoveel gedoe is.’

En gedoe, dat is gerecyclede stof nu juist wel. Niet alleen zijn de vezels korter en een beetje grijzig van kleur, het materiaal is ook een risico voor spinners. ‘Als je gerecyclede denim wilt maken, moet je “virgin” en gerecycled materiaal mengen en er nieuw garen van maken. Het spinnen gebeurt onder heel hoge snelheden. Als er ook maar een flardje ijzer in zit, gaat de fabriek in de fik. Je moet dus een industriële standaard ontwikkelen. Spinners en wevers moeten zeker weten dat stof en garen ijzervrij zijn.’

Nog een nadeel: wie textiel exporteert, moet precies aangeven wat erin zit. Dat lukt niet bij gerecyclede stof. En dan is er nog de prijs. Gerecyclede vezels worden nu vooral in Europa gemaakt, waardoor de kwaliteit hoog is, maar ook de prijs. Feenstra: ‘Een aantal projecten is mislukt, waardoor dit op een laag pitje is komen te staan. Tot nu toe heeft geen enkel merk het lef of belang om hier lang mee bezig te zijn.’

Het gevolg: iedereen wijst naar elkaar en naar de consument. Dat die geen zin heeft in een vlokkerige, grijze trui die ook nog eens duur is, snapt Feenstra wel. ‘Maar als je er echt iets gaafs én duurzaams van maakt, is de consument ook bereid meer te betalen. Kijk naar het elektrische automerk Tesla. Ga je op grote schaal produceren, dan gaat de prijs vanzelf omlaag. Met de spinners heb je een veel groter deel van de keten in handen. Het is lastig om tussen bestaande relaties te komen, maar weet je door de bestaande structuren heen te werken, dan heb je de heilige graal te pakken.’

GROENE FAÇADE

Zijn onze kleren de afgelopen jaren niet al duurzamer geworden? De oplettende consument ziet in winkelstraten steeds vaker ‘groene’ labels opduiken, ook bij grotere modeketens. Maar je moet wel heel goed en kritisch kijken om het onderscheid te kunnen maken tussen slimme marketing (greenwashing) en echte verandering. Vaak wordt de consument een te rooskleurig en te eenvoudig beeld voorgespiegeld van duurzaamheid in de mode.

Een voorbeeld: het Zweedse modemerk H&M staat binnen de fast fashion-wereld bekend als voorloper in duurzaamheid, maar heeft wel een groot deel van de productie in Azië ondergebracht. Het Zweedse bedrijf wil op termijn toe naar een productie die honderd procent circulair is en investeert daarom in innovatie in de hele keten. Zeker in vergelijking met andere modebedrijven is dit ambitieus, maar de realiteit blijkt op het gebied van recycling weerbarstiger dan de marketingcampagnes van de modeketen willen doen voorkomen.

Een voorbeeld. H&M verzamelt oude kleding van klanten in hun winkels. ‘Meer dan 32.000 ton textiel hebben we ingezameld om het een nieuw leven te geven. Dat is meer stof dan honderd miljoen T-shirts,’ schrijft het bedrijf op zijn site.

Dit klinkt fantastisch, maar kijk er goed naar en een groot deel van deze claim blijkt marketing te zijn. ‘Honderd miljoen T-shirts’ zal H&M hier niet van maken. Volgens de Zweedse modeketen is de techniek om nieuwe stof uit oude stof te maken niet op grote schaal toepasbaar. Zelfs in hun duurzamere collecties (het label Conscious) zegt H&M niet meer dan twintig procent gerecyclede katoen te kunnen gebruiken wegens kwaliteitsverlies.

Je oude spullen inleveren bij H&M is niet duurzamer dan het in de kledingbak op de hoek van je straat te werpen. Het Duitse commerciële bedrijf I:CO waaraan de sortering en verwerking is uitbesteed, doet in feite hetzelfde als liefdadigheidsorganisaties zoals het Leger des Heils en Sympany, maar dan zonder de winst grotendeels te investeren in goede doelen. Slechts twee cent per kilo gaat naar een goed doel, staat op de website van I:CO te lezen. Bij Sympany is dat zo’n veertien cent per kilo.

Het aandeel gerecyclede stof in nieuwe kleding van H&M was vorig jaar 0,2 procent. Dat zou dit jaar één procent moeten worden. The Guardian berekende dat het twaalf jaar kost om duizend ton materiaal te recyclen met het huidige aandeel opnieuw verwerkte vezels. Terwijl een bedrijf als H&M in enkele dagen duizend ton kleding produceert.

In reactie mailt H&M-duurzaamheidsmanager Cecilia Brännsten dat een deel van de opbrengst van de ingezamelde kleding gebruikt wordt om nieuwe recyclingtechnieken te ontwikkelen. Een telefonisch interview werd te elfder ure afgezegd. Brännsten benadrukt dat H&M geen winst maakt op ingezamelde kleding, maar schrijft ook dat op dit moment de technische oplossingen nog ontbreken om een groter aandeel gerecyclede stof terug te laten komen in de productieketen van het bedrijf. Althans, niet op de schaal waarop H&M opereert, al is die ambitie er wel voor de toekomst. Intussen wordt de energie die H&M in verduurzaming steekt, al wel honderd procent vermarkt.

WE KUNNEN HET NIET ALLEEN

De grote spelers in de kledingbranche zoals H&M, Nike en C&A weten heel goed wat hun impact is op producerende landen, zegt Jeffrey Hogue, hoofd duurzaamheid voor C&A in Europa, Brazilië, Mexico en China. ‘Ik ben het ermee eens dat het huidige, lineaire bedrijfsmodel onhoudbaar is. Maar er is nog bijna geen enkele industrie die circulair is. We moeten met zijn allen investeren, oplossingen zoeken en veranderingen afdwingen. We kunnen het niet alleen.’

Inzamelen in de kledingbakken in de C&A-winkels draagt volgens hem niet bij aan een circulaire economie. Tweederde van de kleding wordt opnieuw gedragen. De rest wordt verwerkt tot andere producten, maar niet tot nieuwe kleding.

Dus heeft het Nederlandse modebedrijf zich aangesloten bij de Circular Economy 100, een netwerk van de Ellen MacArthur Foundation dat nieuwe technologie en samenwerkingen binnen de industrie stimuleert. Ook heeft C&A een grote collectie duurzamere katoen.

‘Elk jaar worden er honderd miljard kledingstukken gemaakt. We willen werken aan vermindering van watergebruik en minder vervuiling door chemicaliën en door de uitstoot van broeikasgassen.’

Want, benadrukt Hogue, niemand is gebaat bij een race naar de bodem, ook de mode-industrie niet. ‘Het maakt niet uit hoeveel collecties je hebt. Het gaat erom dat je betere collecties hebt. Die zijn nodig om de industrie te laten blijven bestaan.’

FOTOGRAAF: EDDO HARTMANN

Het kerkhof dat Sahara heet

Het Parool, 8 oktober 2016

Miljoenen euro’s stuurt de Europese Unie naar het Afrikaanse land Niger. Doel is om de massamigratie door de Sahara te voorkomen. Maar het aantal migranten neemt sterk toe, terwijl de woestijn steeds meer verandert in een kerkhof.

Sophie van Leeuwen

AGADEZ – Elke maandagavond staan twee- tot driehonderd auto’s klaar in Agadez om de woestijn over te steken. Elk voertuig telt minstens 25 migranten. Soms zijn het vrachtwagens vol vluchtelingen. Zij wagen de gevaarlijke oversteek van Niger naar Libië.

Duizenden vluchtelingen reizen ieder weekend naar Agadez toe. Dan is er minder controle op de weg van de hoofdstad Niamey naar deze woestijnstad in het noorden van Niger en het kloppende hart van de mensenhandel dwars door de Sahara.

Ibrahim Manzo Diallo (44) volgt de migratie al dertien jaar. Als journalist en oprichter van de onafhankelijke krant Aïr Info in het noorden van Niger zag hij de handel veranderen en beschreef hij het fenomeen veelvuldig. Volgens hem wordt de Europese Unie, die miljoenen in het Afrikaanse land investeert om de mensenstroom tegen te gaan, belazerd waar ze bij staat.

20161008 Parool Sahara

“Net buiten de stad staat een hek van ongeveer twee kilometer lang,” vertelt Diallo. “Agenten houden mensen aan zodra vertegenwoordigers van de Europese Unie in de buurt zijn. ‘O, wat doen ze goed werk,’ klinkt het dan. Maar de agenten fluisteren tegen de chauffeurs: ‘Rij om het hek heen, een paar kilometer die kant op. Wij hebben niets gezien’.”

In Niger is mensenhandel een belangrijke bron van inkomsten. Politieagenten vragen commissie voor migranten die ze doorlaten. En dus gaat de handel gewoon door. Diallo: “Sinds de EU zich met de migratie bemoeit, rijden steeds minder wagens via de barrière. Agenten en mensenhandelaren zijn vrienden.”

De massale trek is een goudmijn voor handelaren die overal in de stad villa’s bouwen en winkeltjes openen. De prijs van een reis door de Sahara is de afgelopen jaren verdubbeld tot zeker driehonderd euro. De lokale economie bloeit als nooit tevoren. “Het is alsof heel Afrika naar Europa verhuist,” zegt Diallo. Agadez is een knooppunt van gelukzoekers die vanuit West-Afrika naar Europa willen reizen, via Algerije en Libië en daarna de ook al zo riskante oversteek van de Middellandse Zee. Het zijn meestal jonge mannen uit Nigeria, Senegal, Gambia, Ivoorkust, Mali, Kameroen, Burkina Faso of Niger.

Grote schrik

Veel Nigerianen vluchten voor de rebellengroep Boko Haram. Anderen raakten werkloos in de oliestaat Gabon, na de val van de olieprijs. Smokkelbendes maken volop gebruik van de politieke chaos in Libië. Migratie heeft altijd bestaan in Agadez. Er waren altijd reizigers die voorbijkwamen, weet Diallo. “Hallo! Waar ga je heen? Rome? Oké, goede reis! Maar sinds de val van dictator Muammar Kadhafi in 2011 is de reis grimmiger geworden.”

Meisjes worden vaak gedwongen zich te prostitueren. De handelaren pakken hun paspoort af. “Iedereen in de stad weet: als er nieuwe migranten aankomen, zijn er nieuwe meisjes. De mannen staan voor ze in de rij. En iedereen wil eraan verdienen. De politie, de militairen, de chauffeurs.”

Europeanen kijken met grote schrik naar de Afrikaanse trek naar het noorden. 26 miljoen euro maken de Europese lidstaten vrij om komend jaar illegale migratie en terrorisme in Niger tegen te gaan. Vorig jaar kreeg de missie EUCAP Sahel Niger nog 18 miljoen euro.

Steeds meer Afrikanen willen naar Europa. Dat bevestigt Guiseppe Loprete van de internationale organisatie voor migratie (IOM) in Niger. Hij werkt samen met de missie EUCAP Sahel Niger. Zij schatten dat 150.000 vluchtelingen dit jaar naar Libië reizen, tegen 100.000 in 2015.

“Het zijn schattingen want wij staan niet de hele dag bij de checkpoints,” zegt Loprete. “Controleren is maar een deel van ons werk. Wij praten met migranten en leggen uit hoe gevaarlijk de reis is. Wij helpen ze om projecten op te zetten. Een klein restaurant bijvoorbeeld, zodat mensen kunnen terugkeren om een beter leven op te bouwen.” Naar eigen zeggen haalden zijn medewerkers ruim vierduizend mensen over om terug te reizen naar hun land van herkomst. Een fractie van de totale mensenstroom.

Tot zover de officiële cijfers. Maar het werkelijke aantal migranten is veel hoger, volgens Diallo. Vertegenwoordigers van de EU zullen nooit de echte migratie zien, denkt de journalist uit Agadez. “Zij komen aan in een privévliegtuig, ze worden door militairen geëscorteerd naar een hotel met zwembad, een van de duurste in Agadez, bewaakt door agenten.”

“Hun oren horen niet, hun ogen zien niet. Ze hebben geen direct contact met de bevolking. Ze zien alleen wat de autoriteiten willen dat ze zien. Maar wij van Agadez zijn getuige van de handel. Wij zien de waarheid, wat er echt gebeurt. Zij zien 150.000 migranten. Ik verzeker u: het zijn er minstens twee keer zoveel.”

De autoriteiten in Niger kunnen er ook weinig tegen doen. Inwoners van West-Afrika mogen namelijk vrij reizen binnen de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (Ecowas). “Maar het geld uit Europa laat onze regering natuurlijk niet liggen,” zegt Diallo.

Niemand weet exact hoe groot het probleem is, geeft ook Loprete van het IOM toe. “Het is makkelijker om de Middellandse Zee te controleren dan de Sahara. En de provincie Agadez is groter dan Frankrijk.”

Beenderen

Intussen worden steeds meer jongeren uit Libië chauffeur. Zij kennen de Sahara niet. Er is geen weg door de woestijn. Eerst rijden ze over stenen, dan volgt duizend kilometer zand. Velen verdwalen en sterven van de dorst.

Diallo ontmoette een man met tien auto’s die hij door de Sahara liet rijden. “Hij zette zijn kleine broertje die nauwelijks kon rijden achter het stuur. Zo’n auto wordt dan volgeladen met mensen. Niemand wacht op die mensen in Libië. Niemand weet dat ze Agadez hebben verlaten.”

Soms worden rijen lichamen gevonden in de woestijn. Wit geblakerde beenderen in de zon. Vaak verdwijnen ze geruisloos onder het zand van de Sahara. “Niemand weet wat er gebeurt in de woestijn, hoeveel doden er vallen,” zegt Diallo. “Het is een groot drama. De Sahara is een kerkhof.”

Repressie in Congo

Congo peace In november en december 2015 deed Sophie ruim een maand onderzoek naar repressie in het Congolese medialandschap in opdracht van Radio La Benevolencija.

In aanloop naar de verkiezingen van 2016 – die mogelijk worden uitgesteld – worden steeds meer journalisten geïntimideerd, aangehouden en soms gemarteld.

Sophie ontmoette collega’s in de hoofdstad Kinshasa en in de Oost-Congolese steden Goma, Bukavu en Lubumbashi, Democratische Republiek Congo (DRC).

Boek: Be a Nelson

Als kind droomde Sophie er van ooit een boek voor uitgeverij Lemniscaat te mogen schrijven. Vandaag komt die droom een beetje uit want ze werkte al co-auteur mee aan ‘Be a Nelson’

9789047707578Be a Nelson is het levensverhaal van Ilco van der Linde, initiatiefnemer van MasterPeace, dance4life en Bevrijdingspop. Daarnaast bevat het boek portretten van meer dan twintig change-makers uit de hele wereld: niet alleen bekende artiesten die zich inzetten voor de vrede, zoals Sylvana Simons, VanVelzen en Karsu, maar ook onbekende krachten achter de schermen, zoals de vrijwilliger Roland die al 27 jaar het bouwwerk doet voor Bevrijdingspop, de hiv-positieve Anne die langs scholen toert voor dance4life en de jonge Nepalees Santosh die met MasterPeace de slachtoffers van de aardbeving ondersteunt. De verhalen van deze moedige mensen zijn opgetekend door o.a. Kaya Bouma (de Volkskrant), Sophie van Leeuwen (rnw Media) en Ruth Vandewalle (De Standaard, winnares De Tegel 2013). Dit boek biedt hoop, zicht op verandering en inspiratie om zelf de mouwen op te stropen: idealisme werkt.

Mandela kennen we allemaal. Maar ooit was hij een onbekende Nelson. Een jongen die ook onverschillig had kunnen zijn, weg had kunnen kijken, niets had kunnen doen aan het onrecht dat hij om zich heen zag. Maar dat weigerde hij.

In Oekraïne durfde de pianist Markiyan Matsekh het aan om fysiek tussen de twee strijdende partijen op te treden. Aan de ene kant stond de Mobiele Eenheid van de pro-Russische regering opgesteld en aan de andere kant bevonden zich de pro-Europese demonstranten. Toen het ernaar uitzag dat de me de burgers zou gaan aanvallen, sleepte Markiyan zijn piano naar buiten en begon te spelen. Zijn creatieve daadkracht ging de hele wereld over, via YouTube en de voorpagina’s van bijna alle kranten, en niemand kon de revolutie nog langer negeren.

Markiyan staat niet alleen. Overal ter wereld zijn jonge mensen actief die met succes vredesinitiatieven opstarten, gestimuleerd door bekende artiesten zoals de Congolese rapper Innoss’B en de Colombiaanse zanger César López die machinegeweren ombouwt tot gitaren. De stuwende kracht achter dit alles is Ilco van der Linde, naar eigen zeggen ‘een simpele gast uit Haarlem-Noord die steeds met een idee kwam dat aansloeg’. Op vijftienjarige leeftijd startte Ilco het allereerste Bevrijdingsfestival in Haarlem, met ‘een honderdje voor een wondertje’ dat hij van zijn vader had gekregen om iets nieuws te doen voor jongeren. Inmiddels zijn de Bevrijdingsfestivals uitgegroeid tot het grootste thematische jongerenproject in Europa, met een miljoen bezoekers in veertien steden.

Croquemort contre les préjugés des Européens

Dans cette édition de My Song, Croquemort, de son vrai nom Didier Lalaye, parle de son slam « Cousin de l’UE ». Il demande aux Européens de mettre fin à cette « castration morale » que sont les préjugés envers l’Afrique. « Personnellement j’ai été victime de plusieurs préjugés, explique l’artiste. (…) J’ai eu ce genre de questions par mail : “Est-ce qu’il y a le téléphone chez toi ? Est-ce que les avions atterrissent là-bas ?” »

Croquemort, de son vrai nom Didier Lalaye, est un slameur tchadien. Ses textes parlent des frustrations et des émotions que le peuple du Tchad expérience au quotidien. Quand il n’écrit pas, Croquemort soigne : il est aussi médecin.

Produced by Sophie van Leeuwen and Serginho Roosblad
Filmed by Serginho Roosblad
Edited by Sophie van Leeuwen

Y’en a marre, la révolution sénégalaise

Ils viennent d’horizons différents, des musiciens, des activistes et journalistes, et ont un souhait en commun : contribuer au changement du Sénégal. Pour contrer l’état d’esprit défaitiste de leur société sénégalaise, ils ont créé le collectif “Y’en a marre”.

Pour cela, ils ont choisi la musique. Le groupe de hip-hop du collectif a écrit la chanson “Dox ak sa gox”, c’est-à-dire “marcher avec sa communauté”.

Dans cette édition de My Song, le rappeur Fou Malade parle de cette chanson et du travail de Y’en a marre.

Production : Sophie van Leeuwen et Serginho Roosblad
Caméra : Sandesh Bhugaloo
Montage : Sophie van Leeuwen

We might not get the best ICC judges

Bas Zwerwinksi/AP

Bas Zwerwinksi/AP

Six new ICC judges will be elected in December. But how qualified are these people? William Pace, Convenor of the Coalition for the International Criminal Court is leading a campaign to ensure they are highly qualified for the job. The ICC state members will gather in December during the Assembly of State Parties (ASP) for the elections. This interview with Pace is based on questions from young Kenyans and Ivorians (The Hague Trials Kenya and Ivoire Justice).

Q: What are the criteria to select judges?

The ICC needs six people with extensive courtroom experience, great experience in international law, international humanitarian law and hopefully broader experience in international justice.

Today, many people have been trained at, for example, the Yugoslav tribunal and the Rwandan tribunal. We hope governments will look for people who have real experience at those levels.

Q: You hope? So… you might not get the best judges?

Unfortunately, governments don’t always nominate the best people. This also happens on the national level, often for political reasons. So yes, we might not get the best candidates. We are campaigning to ensure that the highest qualified candidates are nominated and elected to the ICC bench to ensure its fairness, efficiency and independence.

Q: Bad news for international justice?

We know there has to be a tremendous improvement in how international trials and the investigations are run. I hope the international community will work together in order to achieve this. At the urging of civil society, the first judicial elections were held last year, with states undertaking their own qualified assessment of the judicial candidates. This will happen again for the December elections.

Big powers know best how to get their candidates elected, even if they might not be the best person for the job. Some people also see the ICC as a nice step in their career. But no one wants a surgeon without experience in surgery. We need the same value applied to the ICC. We must have best practice justice in the future.

Q: Will here be an Ivorian or Kenyan judge?

Out of 17 nominations, there are candidates from Benin, Ghana, DRC, Madagascar, Tunisia, France, Lithuania, Brazil, Korea, Croatia, Estonia, Poland, Hungary, Timor-Leste, Germany, Sweden and Georgia.

Q: Does the CICC train ICC judges?

CICC does not provide any training. Our main focus is to increase the quality of the nomination and election procedures.

Most of the new judges are not completely ready to go. Many think they are. But it’s a difficult job. The ICC works with multiple legal systems, with different kinds of forensic investigations. People in the courtroom are speaking a local language from a country you have very little experience with. It’s much more complex than other courts. It’s very challenging. These complexities of international justice and the ICC alone warrant serious orientation and training.

Q: Is it possible to judge without knowing the political context?

Judges have to be completely independent, so I think the answer is yes. Of course, the ICTY often devoted considerable court time to providing the historical, political, demographic and geographic context. The international tribunals have demonstrated different degrees of success and failure, but they do hold people accountable for serious crimes. They also persuade national institutions to improve their law institutions.

Q: Ex-prosecutor Ocampo has been criticized for the OTP investigation and strategy in Kenya. Does that prove the importance of context?

The difficulties the ICC experienced in Kenya are both similar and different to other situations. In Kenya, the ICC appeared to investigate crimes allegedly committed by different ethnic and political leaders of those groups who committed post-election violence. In some of the first ICC situations, it was obvious the first prosecutor decided that to investigate crimes in a country, he needed the cooperation of government institutions. Therefore, he would not first concentrate on crimes that were possibly committed by government actors, but instead others who committed crimes. Another consideration is that if you can’t access a territory, how do you conduct a thorough investigation?

CICC members strenuously disagreed with the so-called sequential prosecution approach, and we think events have confirmed our view. Since 2012, ICC Prosecutor Bensouda has committed to avoid investigations of only one side. But if in five or ten years, we see only one side of the perpetrators of the crimes investigated, we’ll have a serious existential challenge to the system.

Sophie van Leeuwen

Sophie van Leeuwen

Q: Justice on one side, how can you end it?

Unfortunately, in many national systems, people in power think they are exempt from prosecution and investigations. It happens with big powers and small nations. It happened in Rwanda. Since the 1994, genocide only one side has been investigated. The Rwandan president fiercely opposed any change in this policy. This has been a serious problem in most of the special and ad hoc tribunals, and the ICC must change this perception.

But there are sophisticated and effective ways to change this. If many of the 122 of the member states of the ICC treaty adopt laws and institutions to investigate the ICC crimes, no matter where they occur and no matter who commits the crimes, then the international legal order will transform radically. Already, 15-20 states in Europe, Africa, South and North America, Eastern Europe and Asia have begun these processes – assisting in international arrests, putting individuals in their countries on trial for international crimes committed on other territories. Ex-leaders are tried in other countries, like the former Chadian dictator Habré in Senegal. That’s an important and progressive step. Leaders responsible for ICC crimes all over the world have to check is they can travel to a foreign country. I hope we’ll see many other democracies taking on trials themselves.

Q: Many people feel the ICC judges aren’t impartial. How can we trust the ICC?

While biased or controlled judges are sometimes found in national systems, you don’t see a lot of politically motivated judges at the international level. Every judge at the ICC must act impartially based on the Rome Statute and fair trial standards. The judicial panels are composed of three judges from different regions and legal systems. Some people have alleged that in different international trials, some judges have been not met the highest standards. But, this is more often due to incompetence than a lack of impartiality.

Impartiality of the judges can also be seen in their thorough questioning of evidence presented by the prosecution and defense. Judges and prosecutors also often disagree with each other on legal interpretations, express dissenting opinions on majority decisions, which shows that there is a robust and impartial examination of the case before them.

Q: Why do judges keep postponing some of the cases, even after confirmation of charges?

There are a number of reasons. One reason may be that due to the different juridical systems the judges come from, different judges will have different ideas and standards regarding the investigation and the prosecution requirements at different phases of the trial. There is a mixed interest. If the evidence is not convincing, a judge might say: Go and find more evidence. That is a reason why trials can take so long. Operating in different languages and crimes from many different situations at the same time, and long delays in arrests, and lack of cooperation by governments and international organizations, protection of witnesses, relocation of witnesses – the list of reasons for delays is very long.

But to say it’s all the ICC’s fault, is not accurate. National leaders sometimes interfere, witnesses change or withdraw their testimonies. There are also very many logistical difficulties that the Court encounters, with translators for example. On a national level that happens also. One cannot expect the Court not to have any problems.

Q: What is the influence of the Security Council on the ICC? And on the judges?

ICC judges, as well as the prosecutor, are independent from interference by the Security Council. The UNSC does have extraordinary powers to refer situations to the ICC prosecutor for investigation. The Security Council and especially its veto or permanent members (US, Russia, China, France, UK) have been extremely selective and hypocritical when it comes to referring situations. If Council members are protecting someone, they will never pass a resolution. By doing this, they often protect themselves. But, this selectivity is under serious challenge at the UN.

Q: How is the ICC going to ensure that Justice is achieved to those who were affected in Kenya?

The ICC alone cannot fully redress the harm caused by the murders, torture, displacement, economic damage in Kenya. The ICC is doing its utmost to address impunity and charge those believed to be most responsible for the commission of crimes against humanity. Most of the defendants currently before the Court have resources greater than the ICC. These resources, if an accused is found guilty, could be used as reparations for victims of the PEV. However, as an ICC member state that has enacted the Rome Statue into its national law, it is the responsibility of the Kenyan government first and foremost to investigate and prosecute those responsible for the PEV and provide reparations to the victims. The Kenya government has not so far.

An Advisory Committee will assess the 17 candidate judges in September, after which a report will be released by the Assembly of States Parties in October 2014.

Photo: Bas Zwerwinksi/AP

3D oorlog in de Schotse Highlands

Sophie van Leeuwen

Sophie van Leeuwen

Oergeluiden, ridderkostuums en 3D oorlogje spelen. Het Schotse verlangen naar onafhankelijkheid zit heel erg diep. Sinds de Middeleeuwen vechten de Schotten er al voor. Vlak voor het referendum (bloedstollende eindrace) over de Schotse onafhankelijheid op 18 september, leidt dat tot verheerlijking van de Schotse onafhankelijkheidsoorlogen.

Terwijl de Schotse YES campagne de overwinning ruikt en Prime Minister David Cameron zenuwachtiger en zenuwachtiger wordt, beleef ik Middeleeuwse toestanden aan de voet van de Schotse Highlands. Klik hier op mijn reportage voor Vpro’s Bureau Buitenland.

Foto´s van je dode vrienden in Syrië

Blogger Imad Bazzi zag zijn vrienden dood terug op Facebook na de geruchtmakende chemische aanval bij de Syrische hoofdstad Damascus in 2013. Ik sprak hem vorig jaar voor VPRO´s Bureau Buitenland. Klik hieronder en luister naar zijn verhaal.

Begin 2014 is in Zwitserland onderhandeld over de bloedige burgeroorlog in Syrië die aan meer dan 120.000 mensen het leven kostte.

Geen flash? download de reportage