Author Archive for Pieter-Bas van Wiechen

Russische worstenbakkers

Pieter-Bas van Wiechen en Sophie van Leeuwen runnen een bed & breakfast in Oost. Ze hebben een zoontje van negen maanden, Dima. In Het Parool vertellen ze deze zomer twee keer per week over hun belevenissen.

Ik doe de voordeur open en een vette vleeslucht slaat in mijn gezicht. Wat is hier aan de hand? Drie langharige, jonge gasten van een jaar of achttien staan achter ons aanrecht in twee pannen een berg worsten te bakken, ze gebruiken zo te zien een pakje boter per pan. De stank is zo penetrant dat ik het idee krijg dat het vet al van de muren druipt. Bijna begin ik een onbeheerste scheldpartij, maar net op tijd bedenk ik me dat Grote Vladimir, Igor en Kleine Vladimir onze gasten zijn, ze komen uit Sint Petersburg en blijven een week.

In de beschrijving van onze Bee-en-Bee online staat niet dat gasten geen gebruik mogen maken van onze keuken. Ons beleid is: het mag wel maar we stimuleren het niet. Negen van de tien bezoekers vullen er s’ochtends hooguit hun flesje water en verdwijnen dan in de stad. Heel soms vragen mensen besmuikt of ze misschien in onze keuken mogen koken, meestal meteen gevolgd door de vraag of we mee willen eten. Maar deze keer is het anders.

De volgende dag rond een uur of zeven is het opnieuw zover. Als echte studenten staat er bij de mannen maar een gerecht op het menu. De drie heren voelen zich duidelijk thuis want ze hebben hun territorium inmiddels verlegd naar de keukentafel.

Met halve liters huismerk bier van de goedkope Duitse supermarkt spoelen de Russen hun vlees weg. Ze spreken geen Engels en dus probeer ik mijn Russisch uit. “Nasdarovje?” “Nasdarovje!” Maar ze kijken niet echt terug. Hun blikken zijn geconcentreerd op een laptop die tussen de blikken bier op tafel staat. Vanavond speelt hun club FC Zenit uit Sint Petersburg tegen een Moskouse aartsvijand en dat moet ook in Amsterdam gevolgd worden. Ze schreeuwen en gebaren naar hun laptop, volgens mij gaat het niet echt goed met hun cluppie.

Even later zitten Sophie en ik beteuterd met een boek op de bank in het woonkamerdeel van de eerste verdieping, verjaagd van onze eigen lievelingsplek in huis: de keukentafel. We doen alsof we lezen. Maar kunnen beiden onze aandacht niet bij het boek houden. Teveel Russische herrie. Als Igor tijdens de rust van de wedstrijd het vuur weer aansteekt en een volgende lading dood beest de pan in laat glijden, ben ik het zat. Hardop mopperend en zuchtend zet ik alle ramen en balkondeuren van ons huis open. Ik kijk Sophie aan en zeg: “Kom we gaan naar buiten, bier drinken in Studio K.”

We slepen onszelf, zoonlief en buggy naar beneden. Eenmaal in het cafe bestel ik voor Sophie en mij een duur Belgisch biertje, ik pak mijn telefoon en verhoog online de prijzen per nacht. Nooit meer zal onze Bee-en-Bee goedkoper zijn dan de jeugdherberg om de hoek.

Ode aan het zuur

Wat was je lelijk en wat was je klein. Met bobbelige grauwe muren en je cafe als een voetbalkantine. En dan was je nog gehandicapt ook, jij popzaal zonder kleedkamer met je krakende versterkers en je beperkte licht. Maar ik was verblind door liefde, tomeloze liefde voor jou, mijn naar Rock en Roll en grote stad riekende hok aan de Zwartbroekstraat.

Het sodom en gomorra van Roermond, zo werd er over je gesproken. Jij was de slet die het, onder invloed van wiet of wat dan ook, met iedereen deed: de te laat geboren hippie, de eenzame kraker of de tresjer met kettingen aan zijn broek.

Je deed het zelfs met mij, wiens smaak je misschien een tikkeltje glad vond. Ik had niet zoveel met grindbak herrie en drie akkoorden punk, daar was ik te funkie voor. Jij oordeelde niet. Op straat was ik een ‘vieze voele interne oet huilandj, manne.’ Jij vond dat prima. Binnen de muren van de kostschool heerste wederzijs onbegrip in vrede. Maar jij had net als ik niets met dure auto’s, villa’s en de zakenwereld.

Alleen bij een select groepje vrienden en bij jou vond ik wat ik zocht. Jij Azijn waar we met bezweette lichamen tegen elkaar aangedrukt van Bettie Serveert en Gotcha! genoten maar ook de plek waar ik met vijf andere vrijwilligers en drie betalende bezoekers Daryll-Ann zag. Ik haalde trots lege glazen en boende midden in de nacht je vloer alsof het heilige grond was.

De mogelijkheden waren eindeloos. Ik schreef, stijf van spelfouten, je eerste programmaboekje aan elkaar. Ik experimenteerde met avondjes waar ik theater en muziek samenbracht. Ik waagde het zelfs om met het ‘Dellen en Machobal’ een alternatieve vasteloavendj te organiseren. Maar dat was niets voor jou zo bleek.

In de ‘Aek’ kon veel, maar het mooiste was met ons rammelige bandje op jouw podium staan. Met warme lampen vlak boven je hoofd en onze puberige vriendinnetjes als groupies voor het podium, was het net echt. Na afloop werden we zwevend dronken: dit was slechts het begin, wisten we. Pinkpop zou later vanzelf volgen.

Azijn, ik heb toen echt gedacht je eeuwig trouw te blijven. Maar ik moest verder, verliet Roermond en kreeg een nieuwe vriendin. Maar soms op een onbewaakt ogenblik in de Grand dame van popmuziek Paradiso, voelt het nog alsof ik vreemd ga. Ja, vergeleken met jou, Azijn, is Paradiso een waanzinnig mooie en volwassen prinses maar jij, lieve Azijn jij was mijn eerste cluppie. En eerste liefdes vergeet je niet. Ook niet als ze er niet meer zijn.

Foto: FaceMePLS

Les talents de Londres

Pieter-Bas van Wiechen en Sophie van Leeuwen runnen een bed & breakfast in Oost. Ze hebben een zoontje van bijna negen maanden, Dima. In Het Parool vertellen ze deze zomer twee keer per week over hun belevenissen.

“Nous parlons couramment le français!” hebben we op ons profiel staan. “Wij spreken Frans!” Wij menen namelijk te weten dat er geen andere Bee-en-Bee eigenaar in Amsterdam is die deze taal nog beheerst. Aangezien Fransen nog altijd moeite hebben met elke taal buiten de grens, zullen ze vast in grote getale naar ons stulpje komen, redeneren wij. En wij kunnen wel een ‘Unique sellingpoint’ gebruiken want we hebben iets te compenseren; vanuit ons huis diep in Amsterdam-oost ben je minstens twintig minuten bezig voor je in het centrum bent.

Sophie is er helemaal klaar voor. Met haar tweede paspoort in de hand wil ze niets liever dan die andere landgenoten bij ons thuis ontvangen. En ook ik ben voor want die Franse nationaliteit van mijn vriendin kost tot nu toe alleen maar tijd. Elke keer als we door de stad lopen en Sophie hoort een paar toeristen in haar tweede taal brabbelen, springt ze er op af en gaat ze eindeloos college geven over wat je in Amsterdam wel en niet moet doen. Opschieten! probeer ik dan maar zonder resultaat: Fransen zijn briljant in kletsen en kunnen, eenmaal in gesprek, nauwelijks afscheid nemen. Partir c’est mourir un peu.

“He, waarom komt er nu nooit eens een Franstalig iemand langs?,” verzucht Sophie steeds als zich weer een Amerikaan of Duitser meldt voor een logeerpartij. Het is inderdaad opvallend rustig als het om de Fransen gaat. Kunnen ze nog steeds geen Engels? Gaan ze nog altijd liever in eigen land op vakantie? Of boekten ze tot deze zomer overnachtingen nog altijd met minitel, hun dertig jaar geleden ultrahippe internet?

En dan eindelijk, na driekwart jaar gasten uit meer dan twaalf landen komt er een aanvraag van een Fransman. Ik bel Sophie die meteen al haar werk uit handen laat vallen en een antwoord schrijft. Tien minuten later zie ik dat ze een epistel van drie alinea’s heeft geschreven. “Het zijn cartoonisten,” vertelt Sophie mij s’avonds starend naar haar laptop. “En niet onbekend zo te zien.”

Eindelijk een goed gesprek zie ik Sophie denken en ze begint als een bezetene het huis te poetsen. Er worden Franse jam en afbak croissants in geslagen. Normaal bieden we toch helemaal geen ontbijt aan? probeer ik haar af te remmen. “Nou ja soms kunnen we toch el een uitzondering maken…”

Het huis is strakker dan ooit en Sophie is er helemaal klaar voor. Vol verwachting zit ze aan de keukentafel te wachten als de bel gaat. “Hello how are you?” zeggen onze gasten bij binnenkomst. Engels? “Ja, wij wonen al jaren in Londen want in Parijs kunnen we niet meer overleven, te weinig werk.” Ze moeten snel naar boven, geen tijd voor ellenlange gesprekken. Aan het werk. Morgen moet in Amsterdam een idee voor een nieuw filmpje gepitched worden.

Esoterische Britten

Pieter-Bas van Wiechen en Sophie van Leeuwen runnen een bed & breakfast in Oost. Ze hebben een zoontje van bijna negen maanden, Dima. In Het Parool vertellen ze deze zomer twee keer per week over hun belevenissen.
Met grote kijkers en een grijze paardenstaart zit ze bij ons aan de keukentafel in een zelf gebreide trui en een wijde paarse broek met stiksels erop. Naast haar Kate, een verveeld kijkende puber van een jaar of vijftien. “Zo. Wat zijn de plannen voor de komende dagen?” Het is de saaie openingszin die we eigenlijk alleen gebruiken als onze gasten echt geen tekst hebben.
Na een haast ongemakkelijk lange stilte mompelt de vrouw bij ons aan tafel: “Nou eigenlijk niks. Geen idee.” Het pubermeisje zucht en laat haar ogen een rondje draaien. Moeder vervolgt: “Ik heb thuis zes kinderen en ben door mijn man voor het eerst sinds vijftien jaar op vakantie gestuurd.”
Het is alles behalve wat we hadden verwacht toen we besloten toch een keer Britten in onze Bee-en-Bee toe te laten. Het schrikbeeld: zuipende en blowende brulapen op bachelortrip waarvan je je steeds afvraagt hoe ze toch ooit die huwelijkspartner hebben kunnen vinden.
“Mama? Waarom hebben deze mensen geen TV?” vraagt puber Kate met een lang gezicht aan haar moeder terwijl ik toch echt tegenover haar zit. Moeder negeert dochter vakkundig terwijl ze haar zakje zelf meegebrachte biothee in een kopje laat zakkken.
We vragen naar haar verleden. “Niet bijzonders”, laat de dame ons weten. “Ik ben in India geboren en belandde als zestienjarige in een dorp onder Manchester. Daar ben ik jong getrouwd met een fabrieksarbeider. Maar Kate’s vader en ik zaten op andere energiebanen. Daar kwam ik achter toen ik Robbie leerde kennen. Robbie’s woongroep en zijn geneeskrachtige handen hebben mij gered. Hij schonk mij nog vijf kinderen.”
Ineens begint het mij te dagen. Deze dame is esoterisch volkomen doorgeslagen en laat ik van dat soort mensen nou net afschuwelijke uitslag krijgen. Ik begin onrustig op mijn stoel te schuiven en de vrouw indringend aan te kijken. Vlak voordat ik een zin dreig uit te kramen met daarin de woorden “sekte” en “kwakzalverij” grijpt Sophie in. Ze heeft haar gitaar gepakt en speelt het intro van Bob Marleys Redemption Song. Onze gast blijkt het liedje te kennen. Ze sluit haar ogen en zingt mee, haar handen langzaam zwaaiend in de lucht.
Sophie, meester in het iedereen naar de zin maken. Ik ken het en wil alleen maar tegen haar zeggen: “Nee schat, doe het niet! Deze dame is een verschrikkelijke zweefteef.” Maar ik zie dat het geen zin heeft. De dames zingen inmiddels Janis Joplin en als onze gast een bloemlezing begint van de Indiase periode van de Beatles, doet Sophie het licht uit en steekt kaarsen aan.
Als het niveau wegens gebrek aan repertoire bij Hotel California belandt, zitten we echt aan een kampvuur zonder vlammen. Ik kijk naar Sophie en dan naar het plafond. Tegenover mij, boven Kate, zie ik grote donderwolken. “Mahaaaam, mag ik chips?” vraagt ze. Ik sta op, ruk een keukenla open en haal er een gillend commerciele zak gefrituurde aardappels uit.

Beierse Bakvissen

Pieter-Bas van Wiechen en Sophie van Leeuwen runnen een bed & breakfast in Oost. Ze hebben een zoontje van acht maanden, Dima. In Het Parool vertellen ze deze zomer twee keer per week over hun belevenissen.

Mijn god we zijn toch geen jeugdherberg geworden?, denk ik als ik de deur open. Voor mij staan drie Beierse bakvissen van nog geen 18 jaar oud. In het mailcontact en op het profiel van Babette was hier niets van te merken: volwassen teksten en een volwassen foto maar nu staan er talloze nog nauwelijks opgedroogde pukkeltjes voor me.

De drie dames hebben hun Arbitur net op zak en dat moet snel gevierd worden. “Waar is onze kamer?” vraagt Babette een beetje ongeduldig. Ik ga ze voor de trap op naar deBee-en-Bee en voel hoe ze me links en rechts zouden willen passeren. Eenmaal in hun kamer spatten hun gespannen tassen uiteen. In enkele ogenblikken is de hele zestien vierkante meter van de door ons verhuurde kamer bezaaid met kleren, schoenen, mascara en oogpotloden.

En dan komen de vragen. “Hoe laat moeten we thuis zijn?” Zo laat je wilt antwoord ik. “Hebben jullie extra handdoeken voor onze haren?” vraagt Babette. Ik geef ze enigszins besmuikt drie versleten handdoeken die wij al honderden keren hebben gebruikt. “Hebben jullie geen spiegel?” vraag Konstanze een beetje verbaasd. Ik wijs ze op de enige spiegel die we hebben in de badkamer. “Is dat alles? Hmmm… Dat gaat wel wat tijd kosten…”

De dames trekken zich terug om anderhalf uur later haast onherkenbaar door lagen make-up de trap af te komen. “Waar zijn de fietsen?” vraagt Babette terwijl ze om zich heen kijkt. Het woord “beneden” is mijn mond nog niet uit of de dames denderen de trap al af. Ik haast mij achter hen aan. Buiten krijg ik nauwelijks de tijd om uit te leggen hoe de fietsloten werken. Ik zie ze weg zwalken, de stad in.

Eenmaal rustig op de bank, slaat de schrik mij om het hart. Help! Wat gaan deze dames precies doen in de stad? Eenmaal zelf in bed kan ik de slaap niet vatten. Waarom mochten ze thuiskomen zo laat als ze wilden? Straks komen ze hier met drie stomdronken getatoeëerde Britten en wat als ze aan de paddo’s gaan? Dan krijg ik straks woedende ouders aan de lijn?

Om half twee hoor ik ze thuiskomen. Ik probeer het aantal voeten op de trap te tellen, zijn het er teveel of juist te weinig? De sleutel gaat soepel in het slot en niet veel later is het doodstil. De volgende dag twijfel ik, ik ben er niet helemaal gerust op en besluit de gang naar mijn kantoor niet te maken. Tegen een uur of half twaalf laat het eerste bakvisje zich zien. “Goedemorgen mag ik misschien een kopje thee zetten?” vraagt ze vriendelijk.

Help! Hippe Turken!

Pieter-Bas van Wiechen en Sophie van Leeuwen runnen een bed & breakfast in Oost. Ze hebben een zoontje van acht maanden, Dima. In Het Parool vertellen ze deze zomer twee keer per week over hun belevenissen.

“We hebben Bailey’s meegenomen! Heb je ijs?” Een mollig Turks meisje met roze haar trekt onze koelkast open en graait naar ijsblokjes. Ze pakt vier glazen uit een keukenkastje. “Jullie drinken toch wel mee?” We weifelen even, Bailey’s hebben we voor het laatst gedronken toen we een jaar of zestien waren en inmiddels staat het drankje al jaren op de zwarte lijst. Maar vooruit, omdat ze zo ongebreideld enthousiast is, accepteren we het aanbod en nippen we voorzichtig aan de mierzoete smurrie.

Onze B&B-gasten komen uit Istanbul. Zaafira met de roze lokken is DJ en kent alle clubs van Istanbul. Haar vriendin Bilge is student. Mooi dametje met lang, steil, geblondeerd haar. Bilge gaat nooit zonder make-up de straat op en ze verwisselt minstens twee keer per dag van kleding. Bilge’s broertje Coskun, die deze trip voor zijn achttiende verjaardag krijgt, is behalve de jongste ook de hipste van het stel. Hij loopt in een strak shirtje, een slimfit broek en dure schoenen. Alles van klinkende merken, maar hij zegt niets.

Aangezien wij geen ontbijt aanbieden in onze B&B, daar hebben we het te druk voor, zeggen we tegen vrienden, moeten onze gasten de buurt in. Na hun eerste zweverige rondje door de wijk komen Zaafira en Bilge haast verontwaardigd ons huis weer binnenstappen: “Iedereen spreekt hier Turks!” Wij wonen in de Indische buurt, de ‘Gooische’ kant van de wijk of volgens anderen schotel-city. “Waarom dragen alle vrouwen hier hoofddoekjes?” vragen ze zich vol verbazing af. “Loopt iedereen hier zo achter?”

Dat is even schrikken. Wij zijn juist in Amsterdam-Oost gaan wonen om een beetje hip te zijn. Maar Istanbul is duidelijk veel en veel hipper dan Amsterdam Oost. We vinden het genant en breken ons koortsachtig het hoofd. Wij hebben Studio K, het Badhuis en een jeneverstokerij in het Flevopark, maar dat is niet spannend genoeg. Club Trouw dan? Roest? Of gewoon Paradiso?

We krijgen bijna ruzie over de vraag waar we ze heen moeten sturen. Uiteindelijk maken we een lijst met daarop meest scratchy plekken van Amsterdam. We nemen plattegrond met ze door om uit te leggen waar al de coolste uitgaansplekken zijn.

Zaafira, Bilge en Coskun gaan de stad in. Tot onze schrik zijn ze om elf uur ‘s avonds al terug. Zenuwachtig vragen we hoe ze Roest vonden. Het drietal kijkt ons enigszins schuldbewust aan: “We zijn naar een coffeeshop gegaan. En toen zijn we de weg kwijt geraakt…” Giechelend lopen ze de trap op naar hun slaapkamer. Welterusten Istanbul.

43 pannenkoeken & 44 huwelijkspartners

Pieter-Bas van Wiechen en Sophie van Leeuwen runnen een bed & breakfast in Oost. Ze hebben een zoontje van acht maanden, Dima. In Het Parool vertellen ze deze zomer twee keer per week over hun belevenissen.

Schuifel, schuifel, ritsel, ritsel. Het lijkt wel of een Koreaans muisje bij ons is komen wonen. Steeds kruipt ze uit haar holletje om bij ons in de woonkeuken ritsel, ritsel haar ding te doen en dan schiet ze weer schichtig schuifelend naar haar kamer.

Om gek van te worden, vooral omdat ze niet tegen mij praat. Al haar vragen spaart ze op tot s’avonds laat als Sophie uit werk haar thuiskomt. Ze pikt mijn lief haast van me af, zo hongerig is ze naar mensenlijk contact na een lange dag boven in haar kamertje. Ik zou er als thuis rondhangende zzp-er best iets aan kunnen doen. Maar helaas: zij zit eenzaam boven terwijl ik beneden halverwege de dag bedenk wie ik nu weer eens kan bellen voor een kop koffie. Soms hoor ik het o zo stille Koreaantje boven in haar kamer schreeuwen tegen haar computer.

Hyun-Kam Pak is onze tweede gast en ze blijft meteen twee maanden. Gelukkig gaan wij een maand op vakantie en hoeven we dus maar vier weken onder een dak te wonen. Toch het valt mij al na drie dagen zwaar. Het is alsof een bange geest zich door ons huis beweegt.

“Jouw idee”, zegt Sophie als ik haar s’avonds in bed van mijn ongenoegen op de hoogte breng. “Trouwens ze kookt morgen voor ons.” Ik zucht en dreig: “Ah, ik ga wel met vrienden eten in de stad.” Het was me al opgevallen dat Hyun-Kam en Sophie stiekem vrienden aan het worden zijn. Vooral als ik niet in de buurt ben, zitten ze gemoedelijk samen te keuvelen.

Na een lange werkdag buiten de deur sleep ik mijzelf vermoeid de trap op. Heerlijke geuren komen mij tegemoet. Binnen bezwijkt onze eettafel bijna van de bergen verse groente, vis en fruit. Ik ben nieuwsgierig en besluit het dreigement van gisterenavond in te trekken. Ik eet toch maar thuis.

Terwijl we met zijn drieën vrolijk aan onze Koreaanse pannenkoekjes met zeewier knabbelen, doet Hyun-Kam een bekentenis. “Ik zou hier helemaal niet hoeven zijn.” Haar studie in New York is af en ze is op doorreis naar Seoul. “Als ik thuiskom probeert mijn moeder mij weer aan een Koreaanse zakenman te koppelen.”

“Ik heb er al 44 afgewezen. Ze zijn zo verschrikkelijk traditioneel. Ik wil geen Koreaanse man. Ik wil misschien wel een …Nederlander!” In New York lukte het haar niet om uit de gesloten Koraanse gemeenschap te breken.

Ik spreek mijn verbazing uit en nodig Hyun-Kam uit om de avond voor ons vertrek mee te gaan naar een feest vol Nederlandse mannen. Op het feest kijkt Hyun-Kam wat schichtig rond, maar aan het eind van de avond staat ze geanimeerd te kletsen.

Terug van vakantie lijkt het alsof er iemand anders in ons huis woont. Hyun-Kam heeft een fiets gekocht waarmee ze met losse haren door de stad zwiert. Ze heeft vrienden gemaakt, vertelt ze. In de drie weken die volgen kookt Hyun-Kam bijna altijd voor ons. Als ze dat niet doet heeft ze een afspraak in de stad. De scheldpartijen tegen haar moeder via skype zijn erger geworden.

“Ik zou wel in Amsterdam willen blijven maar het mag niet van mijn ouders. Ze eisen dat ik terugkom om te trouwen,” verzucht ze de avond voor vertrek. De volgende dag is het stil in huis. Akelig stil.

En toen begonnen we een B&B

Pieter-Bas van Wiechen en Sophie van Leeuwen runnen een bed & breakfast in Oost. Ze hebben een zoontje van acht maanden, Dima. In Het Parool vertellen ze deze zomer twee keer per week over hun belevenissen.

Honderd vierkante meter, we wonen er al een tijdje maar nog steeds weerkaatst ieder geluid hard tegen de kale muren. Ons huis is leeg omdat we bijna geen spullen meer hebben. Na een Brussels avontuur op tachtig vierkante meter kwamen we terug in Amsterdam waar slechts drieentwintig vierkante meter op ons lag te wachten.

De helft van onze spullen hebben we in de Belgische hoofdstad achtergelaten. Ze staan er nog: in het huis van onze huisbaas, een armlastige kunstenaar met verzamelwoede, of ergens anders in de wijk Sint-Joost-Ten-Noode. De avond dat wij onze overtollige huisraad op straat zetten, was het spontaan rommelmarkt in de wijk.

Inmiddels hebben we dankzij de crisis op de woningmarkt ons Amsterdamse hok kunnen verruilen voor een kast van een huis diep in Amsterdam oost. Vanaf nu kunnen we eindeloos struinen over twee etages en elkaar in vier kamers kwijtraken. “He, kwam er maar weer eens iemand logeren,” verzucht Sophie regelmatig. Zoals in Brussel toen al onze vrienden weekenden lang wedstrijden bier proeven met ons hielden. De volgende ochtend stonden ze in onderbroek en met ongewassen haar hun tanden te poetsen boven ons aanrecht.

Rete hip onze logeerkamer aanbieden op een couchsurfsite zodat mensen gratis bij ons kunnen logeren? We overwegen het maar zijn al snel bang dat dit een eindeloze reeks gierige sloebers, terecht vrijgezelle dertigers en blowende autonomen zal opleveren. Bovendien: we hebben net een niet-Zweedse slaapbank gekocht. Hij ligt heerlijk maar we zijn zo geschrokken van de prijs dat we hem graag terug willen verdienen.

“Ga een kamer verhuren aan toeristen,” zegt Bo, een vriend die bij ons logeert omdat hij zowel zijn eigen huis als dat van zijn vriendin heeft verhuurd aan buitenlandse bezoekers van de stad. Bo is onze meest avontuurlijke en gastvrije vriend. Bij zijn huis in Amsterdam is het altijd een komen en gaan van exoten uit verre oorden en vreemde vogels uit zijn eigen straat. Van professor tot junk, Bo kan met iedereen door een deur en iedereen is welkom. Wij bewonderen dat dus horen hem graag aan over zijn bed & breakfast.

Bo was in Amsterdam een van de eerste die zijn huis aanbood op de internationale bed & breakfastsite die nu marktleider is. Bo laat er geen gras over groeien en vult onze gegevens in terwijl hij uitlegt hoe het systeem werkt. Voordat we goed en wel begrijpen waar we aan beginnen, drukt onze vriend op enter: “Zo, vanaf nu hebben jullie ook een bee-en-bee.”

Eigenlijk kan Cirkus Treurdier niet op Oerol staan

Met de straattheatervoorstelling ‘iedereen te koop’ denderde Circus Treurdier vorig jaar over het eiland. Wie wilde dat het collectief een scene speelde of liedje zong moest betalen. Ondertussen liepen de acteurs rond in kleding met merknamen erop. “Die voorstelling is een beetje uit nood ontstaan we warenals gezelschap nog onbekend en moesten ons in kijker spelen daarnaast hadden we geen budget. En door zo openlijk op zoek te gaan naar geld hadden we ook nog een maatschappelijk thema beet.”

De markt speelt in hun nachtcafe op Terschelling een minder grote rol al is het niet helemaal afwezig. Circus Treurdier beschouwt het zoeken naar nieuwe manieren van financieren als substantieel onderdeel van het gezelschap. “De afgelopen decennia gaven we kunstenaar subsidie zodat ze in alle rust hun werk konden doen. Maar door dat systeem is er een afstand ontstaan tot de maatschappij. Doordat wij zo actief naar geld zoeken hebben doorlopen echt contact met mensen in alle uithoeken van de maatschappij. Het mooie is dat die contacten inspirerend zijn en energie geven.”

De revue achtige voorstelling Nachtcafe speelt Circus Treurdier ook in Amsterdam waar ze ook het horecadeel zelf doen. “De financiering van Circus Treurdier rust op vijf pijlers: sponsoren, traandeelhouders, horeca-inkomsten, een beetje subsidie en kaartverkoop,” legt Spijkerman uit. “Door de inkomsten te spreiden zijn wij minder kwetsbaar.”

Hoewel Spijkerman het een eer vindt om op Oerol te mogen spelen, is hij wel krtitisch op de organisatie. “We staan in Heartbreak Hotel die tijdens onze voorstelling een mooie baromzet draaien. Onze enige inkomsten komen uit de kaarteverkoop waarvan 25% voor oerol is. We hebben dus geen eigen horeca inkomsten, mogen onze sponsoren niet meenemen en eigenlijk mochten we van Oerol ook geen traandeelhouders werven. Daarvoor heb ik echt moeten vechten.”

De regelmatig in konijnenpak rondhuppelende Spijkerman is ineens bloedserieus. “Als ons de mogelijkheid niet eens wordt geboden kiet te spelen, kunnen wij, gezelschappen uit het middensegment, hier niet meer staan,” legt Spijkerman uit. “Bijhandel als verkoop van t-shirts en CD’s mag niet, je mag zelf geen drank verkopen en kaartopbrengst is laag. Kortom: op Oerol staan is duur. Dus kunnen straks alleen jonge makers die het zien als investering hier staan en gesubsidieerde gezelschappen die geld zat hebben op het festival staan.”

“Oerol zou wat oude principes overboord moeten zetten en ons de mogelijkheid moeten geven om creatief te zijn, ook op ondernemersvlak. Want wat is er op tegen als ik erin slaag om zelf mijn voorstelling te financieren?” Spijkerman is ondanks zijn kritiek dol op het festival. “De sfeer op het eiland en het publiek hier zijn geweldig en ook de samenwerking met Heartbreakhotel is fantastisch. Oerol is mijn lievelingsfestival en ik hoop gewoon dat ik hier in de toekomst ook nog kan staan.”

Circus Treurdier – Het eeuwige nachtcafe IV. 22 en 23 juni, 20.30, locatie 52 Heartbreak Hotel – oost

Bij de concurrent

Tik, tik, tik, tuuuuuut. Medogenloos laat de digitale klok in de hoek van redactie weten dat mijn tijd om is. “Te laat!” Dennis Gaens, de grote baas van het Waaizine is streng. “Maar ik had net nog een deadline voor de echte krant”, sputter ik. “Echte krant?! Niets mee te maken, je zit nu hier en dat was de deadline.”

Het zoemde al enige tijd over onze redactie: we hebben concurrentie. Er is een tweede dagelijkse krant op het eiland neergestreken. “Negeren!” adviseerde een deel van de redacteuren. Maar: “De aanval is de beste verdediging!”, meende de meerderheid, dus stap ik op fiets. De redactie van het Waaizine heeft het wel getroffen: terwijl wij onze stukjes tikken in een tent naast het Oerol kantoor, waar weer en wind dramatisch worden uitvergroot, zitten zij in een prachtige schuur aan de rand van de duinen.
“Nou, schrijf gewoon maar waar je zin in hebt”, zegt redacteur Hanneke Hendrix als ik vraag wat ik kan doen. “Wil je een beetje salmiakpoeder?” Hanneke blijkt het poeder te gebruiken ter inspiratie voor haar verhaal. Aan de overkant zit gastschrijfster Klaske Oenema knipkunstwerkjes te maken. Ik staar naar mijn lege beeldscherm. Geen rubrieken, thema’s en interviews. Wat een vrijheid! Maar kan ik dit wel aan? Ik probeer associatief tot een verhaal te komen. Ik denk over Terschelling, Oerol en misgelopen liefdes… “Over 45 minuten deadline!”, haalt hoofdredacteur Dennis me bruut uit mijn artistieke dagdromerij. “Dan opmaken, drukken en presenteren.”
Mijn vingers playbacken typebewegingen boven mijn toetsenbord. Dit wordt een flater en dat nog wel bij de concurrent. Dan doet iemand de poort van de schuur open. Zonlicht en een briesje komen binnen en nemen mijn vingers mee naar het toetsenbord. De woorden stromen eruit en even later heb ik mijn verhaal af. Beduusd van mijn persoonlijk record snelschrijven zie ik hoe de redactie van Waaizine verandert in een gestroomlijnde productielijn. Het krantje wordt geprint, gevouwen en geniet.
Buiten verzamelt zich een groep mensen. Hanneke gaat op een kratje staan en leest haar Salmiakverhaal voor. Even later bestijg ook ik het kratje en lees ik mijn schrijfsel voor. Er klinkt applaus en als de vijftig unieke exemplaren uitgedeeld zijn, vraagt iemand voor het eerst in mijn leven of ik wil signeren. Terug op mijn eigen redactie is iedereen stil aan het werk. Wat een saaie bedoeling eigenlijk: stukjes schrijven zonder voordracht en applaus.

Literair Productiehuis Wintertuin – Waai Live Zines. 20 t/m 24 juni, 11.00-17.00 uur, locatie 38 Schuur Staatsbosheer – Oost, met entreeband.

foto: Geert Snoeijer