Categorie archief: Nederland

De kledingberg in VN

DE KLEDINGBERG

Kleding is bijna net zo ‘bederfelijk’ als voedsel geworden: een shirtje voor anderhalve euro, een winterjas voor vijf tientjes, je koopt zo weer een nieuwe. De textielafvalberg groeit mee met onze winkelverslaving. ‘De enige innovatie is dat we vervuiling en arbeid geoutsourcet hebben.’

‘Ik ben heeeel blij dat Primark hier gaat openen… yuppiiii lalalala.’ ‘Oh yeaah! Wat ontzettend gaaf!’ ‘Waar kunnen we solliciteren?’

Een winterjas voor vijfentwintig euro, een feestjurk voor zeventien euro. Meer dan achtduizend vierkante meter Primark, zeven verdiepingen Amazing Fashion for Amazing Prices komen in december in Amsterdam. Tienermeisjes maken zich online op voor een stormloop op 124 pashokjes, kleding, tassen, schoenen en kerstrommel.

De allerlaatste trends kosten weinig. Zo’n shirtje van tien euro zal niet jaren meegaan, maar dat hoeft ook niet. De mode is je net aangeschafte garderobe snel voorbij geraasd. Fast fashion is meer dan één zomer en één wintercollectie. Iedere maand hangen er weer nieuwe items in de rekken boven op de vier hoofdcollecties.

Volgend jaar opent er weer een vestiging van Primark in Hilversum. Het jaar daarop kunnen Tilburgers shoppen bij de Ierse keten. Ook modebedrijven als het Zweedse Hennes & Mauritz en het Britse Topshop blijven meer winkels openen in Nederland.

HET SYSTEEM KRAAKT

‘Mode is bijna net zo bederfelijk geworden als voedsel,’ zegt Michiel van Yperen van MVO Nederland, een netwerk- en kennisorganisatie die overheden en bedrijven helpt om zo maatschappelijk verantwoord mogelijk te ondernemen. ‘Een jas droeg je vroeger tien jaar. Nu wordt elke maand of soms elke twee weken een nieuwe collectie gepresenteerd.’

Fast fashion, voor iedereen bereikbaar, heeft een keerzijde. Het systeem kraakt in zijn voegen, getuige de ingestorte fabriek in Rana Plaza, in Bangladesh in 2013. Meer dan duizend textielarbeiders vonden de dood in het puin. In de fabriek werd kleding gemaakt voor westerse ketens. Onder meer de goedkope laatste mode van Primark, Benetton en Mango werd in Rana Plaza in elkaar gestikt.

Maar er is nog een probleem: er is een gigantische, groeiende berg afval. Elk jaar wordt wereldwijd drie tot vier procent meer textiel geproduceerd dan het jaar ervoor. In Nederland wordt jaarlijks tweehonderdvijftig miljoen kilo textiel afgedankt. Bijna tweederde wordt verbrand volgens een rapport van Ernst & Young, ‘Circulaire Economie in de textielketen’, gemiddeld vijftien kilo stof per persoon.

De afvalberg bestaat grotendeels uit katoen, het meest vervuilende landbouwgewas op aarde. Voor de productie van een T-shirt zijn duizenden liters water nodig. Om te voorkomen dat de waardevolle katoenplanten worden opgevreten, worden heel veel pesticiden en insecticiden gebruikt. Een kwart van alle pesticiden ter wereld belandt op witte pluizige bollen in landen als China, de Verenigde Staten, India en Oezbekistan.

En dan is er nog niet eens verf, bleek of finishing aan te pas gekomen. Rivieren in het Verre Oosten worden vergiftigd en de arbeidsomstandigheden zijn zorgelijk. De Nederlandse overheid en de industrie hebben zeker de ambitie om dit te verbeteren, getuige bijvoorbeeld het textielconvenant dat de Nederlandse overheid begin dit jaar met de belangrijkste spelers uit de textielindustrie sloot, maar de zo broodnodige systeemverandering is niet in zicht, aldus Van Yperen.

Zoals de textielindustrie er vroeger in Twente en Tilburg uitzag, zo smerig is die nu nog. Alleen zien we het niet meer, want het gebeurt in Azië. Van Yperen: ‘Noch de industrie, noch dit convenant is gericht op echte verandering. Je kunt fabrieken controleren, maar controleurs kunnen worden omgekocht of orders worden doorgezet naar andere ateliers die een stuk ranziger zijn. Het is niet waterdicht.’

Het huidige businessmodel is onhoudbaar, bijna negentiende-eeuws, vindt hij. ‘De enige innovatie is dat we vervuiling en arbeid geoutsourcet hebben, dat het goedkoop is. Het negentiende-eeuwse model blijft overeind.’

TIEN KEER MEER INZAMELEN

De verandering in het consumptiepatroon van kleding heeft ook gevolgen voor het bedrijf Sympany, een van de grootste kledinginzamelaars in Nederland. In een net geopend sorteercentrum in Harderwijk dumpen talloze vrachtwagens iedere dag weer bergen kleding. Sinds drie jaar groeit de hoeveelheid kleding die Sympany te verstouwen krijgt ieder jaar met acht tot tien procent.

Mensen met een arbeidsbeperking laten onderbroeken, mutsen, broeken en knuffels door hun vingers gaan. ‘Soms zitten er zulke mooie dingen tussen,’ zegt Beata Orzechowska, hoofd van het sorteringsproces in de hal. ‘Ik had laatst zo’n mooie zijden blouse, geweldige kwaliteit.’ Haar handen glijden over elkaar, alsof de blouse weer door haar vingers gaat. ‘Soms zie je hier kleding voorbijkomen, dat is gewoon kunst.’

Nederlanders gooien mooie dingen weg, vindt Orzechowska. Onlangs was ze op werkbezoek in de buurt van Berlijn. ‘Vreselijk,’ zegt ze. De kleding in de bakken was ouderwets en tot op de draad versleten. Ook in haar geboorteland Polen is de kwaliteit stukken beroerder dan hier. ‘Alleen in Scandinavië zijn de afdankertjes nog mooier.’

Toch kunnen we tien keer meer inzamelen dan we nu doen, volgens Ernst & Young. Wereldwijd meer recyclen zou ons zeventig miljard euro aan materiaal besparing opleveren, berekende de Ellen Mac­Arthur Foundation. En dat zorgt weer voor extra banen, aldus de stichting die onderzoek doet naar circulaire economie.

Dat afgedankte kleding geld waard is, weten de Nederlandse gemeenten. Sympany betaalt jaarlijks vier miljoen euro aan de staatskas voor het mogen neerzetten van containers. Liefdadigheidsorganisaties zoals het Leger des Heils en Sympany en commerciële partijen bieden tegen elkaar op om de bakken te mogen plaatsen.

Twee op de drie afgedankte kledingstukken wordt doorverkocht. Van de winst, drie miljoen euro, financiert Sympany ontwikkelingsprojecten, vooral in Afrika. Sympany steekt dus niet, zoals veel mensen denken, arme weesjes in verre landen in een tweedehands pakje, maar verkoopt de kleren zelf door aan lokale handelaren om vervolgens bijvoorbeeld jonge Afrikanen een vakopleiding te laten doorlopen.

Modieuze kleding van goede kwaliteit komt in Nederlandse tweedehands kledingwinkels terecht. Iets minder mooie spullen zijn voor Oost-Europa, Oekraïne en Rusland. De derde categorie gaat naar Afrika. Redelijke kleding gaat naar landen als Ethiopië en Kenia. De slechtste, nog draagbare kwaliteit is voor de allerarmste landen zoals Malawi. De arme maar modebewuste Congolezen zijn niet geïnteresseerd in afdankertjes.

En dan is er ook nog een categorie die helemaal niet meer draagbaar is. Orzechowska haalt een kinderjas uit een van de metalen rekken. De mouwen zijn beduimeld, aan de voorkant zitten kleine gaatjes. ‘Dit kun je niet meer verkopen.’ De jas zal in het beste geval worden verwerkt tot poetslap of isolatiemateriaal voor de auto-industrie of voor bouwproducten.

De laatste jaren krijgt Sympany steeds meer textiel aangeboden, maar ook steeds meer ondraagbare spullen. Directeur Marc Vooges: ‘Mensen weten inmiddels dat ze ook gordijnen en dekens in onze bakken mogen gooien, waardoor het volume stijgt. Maar met een kussen kunnen wij weinig.’

Ook de waarde van weggegooide kleren wordt minder. Door de voort­razende collecties is een kledingstuk sneller uit de mode en bovendien is de kwaliteit minder dan vroeger. ‘Soms vallen de gaten er al in na één seizoen.’ En dan rest niets anders dan recycling voor de auto-industrie of poetslappen.

Vooges zou dat graag anders zien, maar de techniek om vezels hoogwaardig te recyclen tot nieuwe garens staat nog in de kinderschoenen, al is het technisch wel mogelijk. Veel stoffen zijn hevig bewerkt en ze bestaan vaak uit verschillende materialen. Wol of nylon, zijde of katoen, ze mogen dan misschien met elkaar in één kledingstuk zitten, het zijn totaal andere stoffen met andere eigenschappen.

RECYCLINGGOEROE

‘Het kan niet zo verder gaan. Dat shirt voor anderhalve euro inkopen, afdanken en vervolgens in de fik steken? Ergens zal de kledingmarkt zich moeten aanpassen, want dit is onhoudbaar,’ zegt luitenant-kolonel Rob van Arnhem. Behalve voor de inkoop van bedrijfskleding voor Defensie is hij ook verantwoordelijk voor de kledinginkoop van alle andere ministeries: van toga’s voor rechters tot broeken voor boswachters en gevechtskleding voor ME’ers. Daarbij heeft hij zich ontwikkeld tot recyclinggoeroe van de Nederlandse overheid. Het grootste knelpunt is volgens Van Arnhem de textiel afvalberg. Anders dan in de hevig concurrerende kledingbranche, let hij niet alleen op de goedkoopste leverancier. Hij mag maatschappelijk verantwoord inslaan. Zijn budget: twintig miljoen euro per jaar.

‘Ik heb rivieren gezien die rood zijn van de verfstoffen, geloosd door elfhonderd ververijen in Bangladesh. Ik heb mensen gezien die tot hun middel wit zijn omdat ze voor hun werk in de bleek staan. En het gaat er niet meer af,’ vertelt Van Arnhem.

Dus besloot hij in 2014 handdoeken en overalls in te kopen van ten minste tien procent gerecyclede stof. Maar toen hij zijn plan voorlegde aan de leveranciers, begon het gemor. Hoe zouden ze dat moeten doen? Het zou twee keer zo duur worden. Het kon niet. Of misschien ook weer wel. ‘Ze hadden eigenlijk geen idee.’

Van Arnhem: ‘Tot 2013 werden al onze legeruniformen na gebruik verbrand. Dat kostte klauwen vol geld, een half miljoen euro om precies te zijn. Nu worden de uniformen vervezeld. Dat levert tien tot twaalf miljoen euro per jaar op.’

Maar als recyclen zo goedkoop is, waar blijven dan de commerciële partijen? Natuurlijk is er een gigantisch verdienmodel, denkt de luitenant-kolonel, maar grote kledingbedrijven zijn wars van pionieren. ‘De kledingmarkt heeft een hoge doorstroom, lage marges en veel concurrentie. Om te investeren, moet je zekerheid hebben. Dat maakt hen afwachtend.’

Dan moet je als overheid die voortrekkersrol pakken, laten zien dat het wél kan, vindt Van Arnhem. Want die handdoeken en overalls komen er: dit voorjaar krijgt Defensie handdoeken van 36 procent gerecycled materiaal, en overalls gemaakt met 14 procent hernieuwde garen. De productie bleek lang niet zo ingewikkeld als de leveranciers Van Arnhem aanvankelijk voorhielden. Er komt een omslag aan, voorspelt hij. Er is een momentum. ‘Als ik het vuurtje moet aanwakkeren, dan is dat maar zo. Ja, de kledingindustrie is een supertanker. Maar ik zie de sector bewegen. Het is mijn vaste overtuiging. Er is geen weg terug.’

DE HEILIGE GRAAL

Maar zou zo’n omslag ook denkbaar zijn in de mode-industrie? Een overall is wel iets anders dan een overhemd of zomerjurkje. James Veenhoff van House of Denim, een innovatieplatform binnen de mode-industrie, is optimistisch. De techniek is er al, beaamt ook hij. ‘Maar wil je echt iets veranderen, dan moet je met iets komen dat er goed uitziet, hetzelfde kost en niet zoveel gedoe is.’

En gedoe, dat is gerecyclede stof nu juist wel. Niet alleen zijn de vezels korter en een beetje grijzig van kleur, het materiaal is ook een risico voor spinners. ‘Als je gerecyclede denim wilt maken, moet je “virgin” en gerecycled materiaal mengen en er nieuw garen van maken. Het spinnen gebeurt onder heel hoge snelheden. Als er ook maar een flardje ijzer in zit, gaat de fabriek in de fik. Je moet dus een industriële standaard ontwikkelen. Spinners en wevers moeten zeker weten dat stof en garen ijzervrij zijn.’

Nog een nadeel: wie textiel exporteert, moet precies aangeven wat erin zit. Dat lukt niet bij gerecyclede stof. En dan is er nog de prijs. Gerecyclede vezels worden nu vooral in Europa gemaakt, waardoor de kwaliteit hoog is, maar ook de prijs. Feenstra: ‘Een aantal projecten is mislukt, waardoor dit op een laag pitje is komen te staan. Tot nu toe heeft geen enkel merk het lef of belang om hier lang mee bezig te zijn.’

Het gevolg: iedereen wijst naar elkaar en naar de consument. Dat die geen zin heeft in een vlokkerige, grijze trui die ook nog eens duur is, snapt Feenstra wel. ‘Maar als je er echt iets gaafs én duurzaams van maakt, is de consument ook bereid meer te betalen. Kijk naar het elektrische automerk Tesla. Ga je op grote schaal produceren, dan gaat de prijs vanzelf omlaag. Met de spinners heb je een veel groter deel van de keten in handen. Het is lastig om tussen bestaande relaties te komen, maar weet je door de bestaande structuren heen te werken, dan heb je de heilige graal te pakken.’

GROENE FAÇADE

Zijn onze kleren de afgelopen jaren niet al duurzamer geworden? De oplettende consument ziet in winkelstraten steeds vaker ‘groene’ labels opduiken, ook bij grotere modeketens. Maar je moet wel heel goed en kritisch kijken om het onderscheid te kunnen maken tussen slimme marketing (greenwashing) en echte verandering. Vaak wordt de consument een te rooskleurig en te eenvoudig beeld voorgespiegeld van duurzaamheid in de mode.

Een voorbeeld: het Zweedse modemerk H&M staat binnen de fast fashion-wereld bekend als voorloper in duurzaamheid, maar heeft wel een groot deel van de productie in Azië ondergebracht. Het Zweedse bedrijf wil op termijn toe naar een productie die honderd procent circulair is en investeert daarom in innovatie in de hele keten. Zeker in vergelijking met andere modebedrijven is dit ambitieus, maar de realiteit blijkt op het gebied van recycling weerbarstiger dan de marketingcampagnes van de modeketen willen doen voorkomen.

Een voorbeeld. H&M verzamelt oude kleding van klanten in hun winkels. ‘Meer dan 32.000 ton textiel hebben we ingezameld om het een nieuw leven te geven. Dat is meer stof dan honderd miljoen T-shirts,’ schrijft het bedrijf op zijn site.

Dit klinkt fantastisch, maar kijk er goed naar en een groot deel van deze claim blijkt marketing te zijn. ‘Honderd miljoen T-shirts’ zal H&M hier niet van maken. Volgens de Zweedse modeketen is de techniek om nieuwe stof uit oude stof te maken niet op grote schaal toepasbaar. Zelfs in hun duurzamere collecties (het label Conscious) zegt H&M niet meer dan twintig procent gerecyclede katoen te kunnen gebruiken wegens kwaliteitsverlies.

Je oude spullen inleveren bij H&M is niet duurzamer dan het in de kledingbak op de hoek van je straat te werpen. Het Duitse commerciële bedrijf I:CO waaraan de sortering en verwerking is uitbesteed, doet in feite hetzelfde als liefdadigheidsorganisaties zoals het Leger des Heils en Sympany, maar dan zonder de winst grotendeels te investeren in goede doelen. Slechts twee cent per kilo gaat naar een goed doel, staat op de website van I:CO te lezen. Bij Sympany is dat zo’n veertien cent per kilo.

Het aandeel gerecyclede stof in nieuwe kleding van H&M was vorig jaar 0,2 procent. Dat zou dit jaar één procent moeten worden. The Guardian berekende dat het twaalf jaar kost om duizend ton materiaal te recyclen met het huidige aandeel opnieuw verwerkte vezels. Terwijl een bedrijf als H&M in enkele dagen duizend ton kleding produceert.

In reactie mailt H&M-duurzaamheidsmanager Cecilia Brännsten dat een deel van de opbrengst van de ingezamelde kleding gebruikt wordt om nieuwe recyclingtechnieken te ontwikkelen. Een telefonisch interview werd te elfder ure afgezegd. Brännsten benadrukt dat H&M geen winst maakt op ingezamelde kleding, maar schrijft ook dat op dit moment de technische oplossingen nog ontbreken om een groter aandeel gerecyclede stof terug te laten komen in de productieketen van het bedrijf. Althans, niet op de schaal waarop H&M opereert, al is die ambitie er wel voor de toekomst. Intussen wordt de energie die H&M in verduurzaming steekt, al wel honderd procent vermarkt.

WE KUNNEN HET NIET ALLEEN

De grote spelers in de kledingbranche zoals H&M, Nike en C&A weten heel goed wat hun impact is op producerende landen, zegt Jeffrey Hogue, hoofd duurzaamheid voor C&A in Europa, Brazilië, Mexico en China. ‘Ik ben het ermee eens dat het huidige, lineaire bedrijfsmodel onhoudbaar is. Maar er is nog bijna geen enkele industrie die circulair is. We moeten met zijn allen investeren, oplossingen zoeken en veranderingen afdwingen. We kunnen het niet alleen.’

Inzamelen in de kledingbakken in de C&A-winkels draagt volgens hem niet bij aan een circulaire economie. Tweederde van de kleding wordt opnieuw gedragen. De rest wordt verwerkt tot andere producten, maar niet tot nieuwe kleding.

Dus heeft het Nederlandse modebedrijf zich aangesloten bij de Circular Economy 100, een netwerk van de Ellen MacArthur Foundation dat nieuwe technologie en samenwerkingen binnen de industrie stimuleert. Ook heeft C&A een grote collectie duurzamere katoen.

‘Elk jaar worden er honderd miljard kledingstukken gemaakt. We willen werken aan vermindering van watergebruik en minder vervuiling door chemicaliën en door de uitstoot van broeikasgassen.’

Want, benadrukt Hogue, niemand is gebaat bij een race naar de bodem, ook de mode-industrie niet. ‘Het maakt niet uit hoeveel collecties je hebt. Het gaat erom dat je betere collecties hebt. Die zijn nodig om de industrie te laten blijven bestaan.’

FOTOGRAAF: EDDO HARTMANN

Docu: De weg die niet gebouwd kon worden

 

IMG_8384De bewoners van Saba, sinds 2010 het hoogste punt van Nederland,  verplaatsten zich eeuwenlang via geitenpaden en trappen over hun onherbergzame, geïsoleerde rots in de Caribische zee. Het was een zwaar leven waarbij menigeen droomde van een weg.

“Onmogelijk!” riepen, volgens de overlevering, ingenieurs die het eiland bezochten steevast. Na wat hulp van Curacao kreeg het eiland in de jaren dertig toch een serieuze haven en een klein stukje weg. Maar de Sabanen wilden meer.

Onder leiding van de lokale aannemer en handelaar Lambert Hassell namen de eilanders het heft in eigen handen en bouwden de weg die niet gebouwd kon worden.

De bouw van het negen kilometer lange gevaarte veranderde het leven van de Sabanen voorgoed. Pieter-Bas van Wiechen bezocht de helden van de weg op Saba en maakte een radiodocumentaire voor OVT.

Luister hier naar de documentaire (uitgezonden op 20 september 2015, Ovt Vpro Radio 1)

download De weg van Saba

Documentaire van Pieter-Bas van Wiechen i.s.m. Sophie van Leeuwen. Techniek: Berry Kamer. Met dank aan: Will Johnson, Carmen Simmons, Andrew MartinRichie Johnson, Rita Johnson, Cyrrill Hassel , Peddy Johnson, Kai Wulf, Jelle van der Velde, Bastiaan Janssens, Angelita Peterson, Peter Johnson, Lorna Simmons, Karel SortonPaul Cizek, The Occasionals, Budu BantonSaba Conservation Foundation, Honourable Henry Every Home, het Ministerie van Koninkrijksrelaties, the heroes who work on the road today and all Sabans who gave me a ride!.

Extra: een kort filmpje van The Road in historisch volgorde: van de haven naar het vliegveld.

Oeroldilemma: Chris of Paulien?

Pieter-Bas zit weer op Terschelling om voor het Oerolkrantje te schrijven. Lees hieronder een stukje over het dilemma van Bram van Dijk:

dilemmaDagelijks leggen we een festivalgast een onmogelijke keuze voor. Vandaag: Bram van Dijk, die – onbegrijpelijk – de dagkrantredactie verliet om op de Betonning de talkshow Vier Tellen Vooraf te presenteren. De concurrentie is niet mals: de Ochtendtalkshow van Paulien Cornelisse en Chris Bajema is inmiddels een beroemd Oerolfenomeen.

Stilte. Dat is, geconfronteerd met de keuze tussen zijn twee concurrenten, Van Dijks eerste reactie. ‘Chris en Paulien zijn absoluut voorbeelden op talkshow-gebied. Bij hen maakt het zelfs niet uit wie er te gast is, het is sowieso een succes. Dat zal bij mij als groentje wel anders zijn. Overigens krijgen mensen bij Vier Tellen Vooraf meer de kans zelf wat te doen. Wij zijn er ook voor de mensen die denken “Waar ben ik?”’

Keuzes, Bram. Keuzes.

‘Het zijn beiden lieve mensen,’ probeert Van Dijk nog diplomatiek. ‘Mag niet ik niet tussen ze in gaan zitten?’

Nee.

Opnieuw stilte en dan: ‘Ik denk dat ik dan toch voor Paulien ga. Zij kan vlijmscherp uit de hoek komen en Chris is meer de man die alles in goede banen leidt. Ik denk dat hij mijn keuze eerder van zich af zal laten glijden.’ Angst voor een genadeloze reactie van Cornelisse dus? ‘Nee zeker niet,’ haast van Dijk te zeggen. ‘Ik vind Chris de knapste!’

Ochtendtalkshow

Dagelijks 10.30, Westerkeyn, polsbandje

Vier Tellen Vooraf

Dagelijks 13.30, Betonning, vrij toegankelijk met entreebandje

Illustratie DoemijNina

Tentoonstellingsfilm in Het Nieuwe Instituut

De afgelopen maanden werkten Sophie en ik aan de tentoonstellingsfilm en de trailer voor de expositie ‘Wat is Nederland?’. In Het Nieuwe Inituut maakte curator Stephan Petermann (AMO)  over de 14 Nederlandse deelnames aan de wereldtentoonstelling. Bekijk hier de trailer en reis naar Rotterdam voor ons langere filmpje:

Verslag van mijn zoektocht naar de juiste basisschool in Het Parool

‘De kindertjes zijn wel erg wit en dat voelt voor een inwoner van de Indische Buurt toch wat vreemd’

Bijna iedere ouder zoekt een basisschool die bij buurt en levensstijl past. Is die wel te vinden met het nieuwe stedelijke toelatingsbeleid voor kleuters dat volgend schooljaar ingaat? Journalist Pieter-Bas van Wiechen tuimelde voor zijn zoon in Oost van het ene dilemma in het andere.

Bijna iedere ouder zoekt een basisschool die bij buurt en levensstijl past. Is die wel te vinden met het nieuwe stedelijke toelatingsbeleid voor kleuters dat volgend schooljaar ingaat? Journalist Pieter-Bas van Wiechen tuimelde voor zijn zoon in Oost van het ene dilemma in het andere.

Bijna vier! Het duurde een eeuwigheid, maar nu is het dan zo ver: de basisschool komt in zicht. Zoonlief krijgt antwoord op zijn trappelende gezeur over de grote school en wij worden als ouders eindelijk een beetje verlost van de bodemloze put die kinderopvang heet. Sinds ik vader ben, zie ik ze ineens overal: basisscholen. Ik rij er graag zo langzaam mogelijk langs en tuur door de ramen en over het plein. Hoe is de sfeer? Wat voor kinderen zitten erop? Hoe lijken de leraren te zijn? En ten slotte de hamvraag: zie ik mijn kind en mijzelf hier acht jaar heen fietsen?

Bijna vier! Het duurde een eeuwigheid, maar nu is het dan zo ver: de basisschool komt in zicht. Zoonlief krijgt antwoord op zijn trappelende gezeur over de grote school en wij worden als ouders eindelijk een beetje verlost van de bodemloze put die kinderopvang heet. Sinds ik vader ben, zie ik ze ineens overal: basisscholen. Ik rij er graag zo langzaam mogelijk langs en tuur door de ramen en over het plein. Hoe is de sfeer? Wat voor kinderen zitten erop? Hoe lijken de leraren te zijn? En ten slotte de hamvraag: zie ik mijn kind en mijzelf hier acht jaar heen fietsen?

Het is lastig in de Indische Buurt een passende school te vinden en toch wil ik mijn kind graag in de buurt op school doen. Gelukkig is dat ook het doel van het nieuwe stedelijke toelatingsbeleid. Niet de postcode, maar de loopafstand tot je huis is vanaf nu bepalend voor de acht scholen waarop je voorrang hebt.

Ik besluit op elfscholentocht te gaan in een straal van twee kilometer om ons huis. Stop één is logisch: bijna alle vriendjes op de crèche en uit de straat gaan naar de 8e Montessori. Enigszins gespannen loop ik die school binnen, ik ben als de dood dat mijn kind hier hopeloos zal doen waar hij zin in heeft zonder iets te leren. “Dat waren de jaren tachtig,” verzekert de directrice mij. “Wij zijn een moderne school met een leerlingvolgsysteem.”

Een beetje gerustgesteld en zie ik mijn zoon er al rondrennen. Maar als ik thuiskom en mijn adres invoer in de nieuwe schoolwijzer, is die onverbiddelijk: wij hebben geen voorrang meer op deze school. Wat voor ons als de buurtschool bij uitstek voelt, ligt te ver weg.

“Je kunt je er toch gewoon inschrijven,” zegt Hetty Lieftink, projectleider stedelijk toelatingsbeleid. “Maar je moet je realiseren dat als je een populaire school zonder voorrang op de eerste plaats zet, je door loting buiten de boot kunt vallen.”

Een paar dagen later zit overbuurvrouw Talitha Stijnman aan keukentafel voor een crisisoverleg. Ze baalt er ook van dat de 8e een lastig verhaal is geworden, maar vindt het ronduit onbegrijpelijk dat er helemaal geen montessorischool op onze lijst staat.

“Vreemd, binnen een straal van twee kilometer om mijn huis zijn er twee,” zegt Stijnman. “In het nieuwe systeem kunnen enkele meters het verschil maken. En waarom krijgt iedereen wel op een christelijke en openbare school voorrang, maar wordt er niet gekeken naar onderwijsmethodes?”

“Vreemd, binnen een straal van twee kilometer om mijn huis zijn er twee,” zegt Stijnman. “In het nieuwe systeem kunnen enkele meters het verschil maken. En waarom krijgt iedereen wel op een christelijke en openbare school voorrang, maar wordt er niet gekeken naar onderwijsmethodes?”

Lieftink geeft toe dat dat een punt is voor de evaluatie. “Onder hoogopgeleide ouders zijn methodescholen als montessori, dalton en de vrije school heel populair. Nu heeft bijna tachtig procent van de Amsterdammers op minstens één zo’n school voorrang. Daar zouden we in de toekomst honderd procent van kunnen maken.”

Stijnman ontdekt gelukkig een fout in onze selectie. Een school in de buurt staat ten onrechte met twee locaties op de lijst. Twee weken bellen en mailen later hebben wij recht op een montessori. Niet die van onze vrienden, maar de 5e Montessori in de Watergraafsmeer.

Stijnman ontdekt gelukkig een fout in onze selectie. Een school in de buurt staat ten onrechte met twee locaties op de lijst. Twee weken bellen en mailen later hebben wij recht op een montessori. Niet die van onze vrienden, maar de 5e Montessori in de Watergraafsmeer.

Ellendige bakfiets

Op naar de het chique stadsdeel dat zo ongeveer aan het einde van onze straat begint. De Watergraafsmeer was tot voor kort een onneembare onderwijsvesting achter een hoge, onzichtbare muur. Wij inwoners van de Indische Buurt voelde ons ossies in de DDR.

Door het nieuwe beleid is de muur gevallen en mogen wij ook rondneuzen op scholen in dit stadsdeel van ruime huizen en glimmende auto’s.

De 5e Montessori Watergraafsmeer heeft een prachtig gebouw. De directrice neemt nog meer twijfel over montessori weg en de school vertelt zelfs trots dat zij de meeste mannelijke leraren van de buurt hebben. Alleen: de kindertjes zijn hier wel heel erg wit en dat is voor een inwoner van de Indische Buurt toch een wat vreemd gevoel. “Wij verwachten dat onze populatie door het nieuwe beleid wel wat zal veranderen,” zegt ze tijdens de rondleiding. Ik beschouw het als een positieve opmerking, maar merk dat dit niet voor alle aanwezigen opgaat.

De 5e Montessori Watergraafsmeer heeft een prachtig gebouw. De directrice neemt nog meer twijfel over montessori weg en de school vertelt zelfs trots dat zij de meeste mannelijke leraren van de buurt hebben. Alleen: de kindertjes zijn hier wel heel erg wit en dat is voor een inwoner van de Indische Buurt toch een wat vreemd gevoel. “Wij verwachten dat onze populatie door het nieuwe beleid wel wat zal veranderen,” zegt ze tijdens de rondleiding. Ik beschouw het als een positieve opmerking, maar merk dat dit niet voor alle aanwezigen opgaat.

“Voor ons pakt het beleid minder goed uit,” vertelt Jørgen den Houting, die in Sciencepark woont, een paar dagen later op de stoep van de Lidwinaschool. “Wij hadden voorrang op alle scholen in de Watergraafsmeer. Daarvan zijn er nu nog maar drie over, waarvan twee enorm populair zijn. Wij hebben geen voorrang meer op de Lidwina, een school met veel plaatsen.” Door het nieuwe systeem heeft Den Houting ook voorrang op een aantal scholen rondom mijn huis in de Indische Buurt.

Bij de zes scholen die het dichtst bij mijn huis zijn, zie ik mij, hoogopgeleide vader met zo’n ellendige bakfiets, niet op het schoolplein staan. De reden: ze zijn niet of nauwelijks gemengd. Zonder twijfel zijn de leraren daar koningen in het wegwerken van taalachterstand, maar dat is niet wat mijn kinderen nodig hebben.

Bij de zes scholen die het dichtst bij mijn huis zijn, zie ik mij, hoogopgeleide vader met zo’n ellendige bakfiets, niet op het schoolplein staan. De reden: ze zijn niet of nauwelijks gemengd. Zonder twijfel zijn de leraren daar koningen in het wegwerken van taalachterstand, maar dat is niet wat mijn kinderen nodig hebben.

Bovendien stuurden mijn ouders mij in de jaren tachtig naar de vrije school, wat mij ruim drie jaar achterstand en talloze bijlessen opleverde. Experimenteren met onderwijs is dus niets voor mij.

De meeste ouders die ik in de buurt spreek, zijn een beetje ongelukkig met het stedelijke toelatingsbeleid, maar het is opvallend dat geen van hen echt verontwaardigd is. Eerder benadrukken ze dat het postcodebeleid hun beter uitkwam, omdat ze er meer grip op hadden.

“De oude situatie was heel ondoorzichtig,” licht Lieftink toe. “Ouders schreven zich vaak op meerdere scholen in en iedereen had zijn eigen toelatingsbeleid. Er werd druk gelobbyd voor een plekje en in sommige gevallen zelfs met geld geschoven. Geregeld was er voor mensen op een school om de hoek geen plaats, doordat ze de verkeerde postcode hadden. Dat is nu voorbij. We hebben veel onderzoek gedaan en vooral uit het perspectief van de ouders een nieuw systeem gemaakt. Voldoende keuzevrijheid en een school in de buurt is het streven.”

“Een voor iedereen optimaal systeem bestaat helaas niet; het voordeel voor de een blijft een nadeel voor de ander. Maar nog nooit was het zo eerlijk en ik verwacht dat meer mensen op de school van hun eerste keuze komen en dat er minder hoeft te worden geloot.”

Behalve de montessorischolen in de buurt heb ik uiteindelijk nog twee gemengde scholen gevonden. De Piet Hein is de winnaar,maar die is populair en ligt te ver van mijn huis. De andere, de Frankendaelschool, heeft onze sympathie, al is hij christelijk en hebben ze de woensdagmiddag afgeschaft.

Welke school ik op één zet? Geen idee.

Waarschijnlijk ben ik tot de deadline volgende week dinsdag hopeloos verstrikt in een strijd tussen tussen hart, rede en strategie.

Hoe werk het toelatingsbeleid?

Een ouder mag zijn kind nu voor elke school in Amsterdam aanmelden. Je krijgt echter maar op acht scholen in de buurt voorrang, waaronder tenminste twee bijzondere (lees: christelijke) en twee openbare scholen. In plaats van postcodes staat nu de loopafstand van huis tot school centraal.

Een ouder mag zijn kind nu voor elke school in Amsterdam aanmelden. Je krijgt echter maar op acht scholen in de buurt voorrang, waaronder tenminste twee bijzondere (lees: christelijke) en twee openbare scholen. In plaats van postcodes staat nu de loopafstand van huis tot school centraal.

Je levert een top tien van scholen in bij de school van je eerste voorkeur. Na de plaatsing van broertjes en zusjes, kroost van schoolmedewerkers en kinderen die al op de voorschool zitten die hoort bij de school, worden de kinderen geplaatst die voorrang hebben. Daarna volgen de kinderen die de school als tweede voorkeur hebben et cetera. Pas daarna komen kinderen in aanmerking die geen voorrang hebben.

Het stedelijke toelatingsbeleid begint volgend schooljaar. Op 10 maart is de eerste inschrijfdeadline voor ouders met kinderen die zijn geboren tussen 31 juli en 31 december 2011.

De vluchtelingenopvang

2014_7_VluchtelingenkampPieter-Bas van Wiechen runt samen met zijn vriendin Sophie, Dima (2,5) en Ramses (0) een Bee-zonder-Bee in Amsterdam-Oost. In de PS doet hij deze zomer verslag van de avonturen in en om hun huis. Aflevering 7: “De vluchtelingenopvang”

Twee kleine mannetjes met zonnebrillen in hun haar. “Italië?” wil ik van mijn nieuwe gasten weten. “Bijna goed, Portugal dat ligt ook in Zuid-Europa, maar dat is voor jullie toch allemaal hetzelfde…” sneert Angelo met een vriendelijke grijns op zijn gezicht. Even wil ik tegensputteren dat ik mijn topografie heus wel op orde heb maar mijn gast ontneemt me de ruimte. “Ik woon nu drie jaar in Noorwegen en vrijwel iedereen denkt dat ik een pizzabakker ben.”

Angelo is samen met Simao in Amsterdam. Angelo woont en werkt in Oslo terwijl Simao in Zurich zijn geld verdient. De twee Portugezen trekken al sinds de middelbare school met elkaar op maar ze zien elkaar tegenwoordig alleen in het buitenland. “Op neutraal terrein want thuis wil iedereen constant wat van ons,” zegt Simao

“Wij zijn fantastische probleem oplossers en zeer gewilde huwelijks partners,” vult Angelo aan in vlekkeloos Engels. Even denk ik te maken te hebben met een beroemd Portugees duo maar de waarheid blijkt minder spannend. “Wij zijn een van de weinigen uit onze stad met een geslaagde baan in Noord-Europa…”

Angelo en Simao maken deel uit van een groeiende stroom Zuid-Europeanen die hun kans schoon zien in het Noorden van Europa. Bij ons in de speeltuin klinkt steeds meer Frans, Spaans en Italiaans. Allemaal roepen ze hetzelfde: “Als ze maar niet denken dat ik ooit terug ga…” Onze gasten zijn ook hoog opgeleid maar zonder toekomst in eigen land. “Ik kan daar misschien wel een baan vinden maar belabberd betaald en niet op mijn niveau,” vertelt Simao en hij begint een klaagzang over het Portugese systeem dat muurvast zit in zijn eigen achterhaalde traditie. “Doe mij maar Scandinavië, ondanks het weer.”

Een week na het Portugese duo, staan twee Spaanse dames bij ons op de stoep. Ze hebben onze Bee-zonder-Bee voor tien dagen geboekt. Bij binnenkomst blijkt communiceren lastig maar met handen en voeten en het zo Spaans mogelijk uitgesproken Frans van Sophie komen we een eindje. Martina en Carla komen uit een dorp bij Barcelona en ze zijn rond 45 jaar oud. Martina schuift een briefje naar me toe. “We go here.” Er staat het adres van een taalschool in West op. “We learn English for work outside Spain.”

De hele week staan Martina en Carla vroeg op en komen ze laat thuis. Als ik vraag hoe de cursus vandaag was, gebaren ze met een glimlach dat ze moe zijn en verdwijnen ze naar boven met stapels huiswerk. Na tien dagen vertrekken ze. Sophie en ik zwaaien samen uit. De dames brabbelen ronduit en laten ons een certificaat zien. Enthousiast roepen we “yes!”, feliciteren ze en zeggen dat het zo leuk was om ze te gast te hebben. Als de deur dicht valt, kijken Sophie en ik elkaar aan. “Heb jij een woord verstaan van wat ze zeiden?”

Coming out van een orgelfetisjist

Toen ik een jaar of zeventien was pakte ik met een vriendin op mijn zolder een oude hobby op: radio-tje spelen. Zwaar onder invloed van een met Theo & Thea doordrenkte jeugd (en een fles rode wijn) waanden we ons een klef Avro-programma, een beetje ‘radio 2 na middernacht’. De jingles en achtergrondmuziek nam ik door dezelfde als microfoon dienstdoende hoofdtelefoon op.

2014_Orgelvreten PB_NG-1 kopiefoto: Nichon van Glerum

Het waren de jaren dat iedereen aan de CD’s was en platen overal voor een appel en en ei te krijgen waren. Een beetje vanuit mijn liefde voor kitsch was “Hammond-a-Gogo” van James Last in mijn collectie terecht gekomen. Deze bovengemiddeld ranzige vertolkingen van jazzstandards speelden een leidende rol in onze late-night show. We bedachten er zelfs een fictieve Hammondorganist bij.

We maakten plannen voor de radioshow en dus begon ik uit bakken allerhande Hammondplaatjes te verzamelen. Het gevarieerde, maar vrijwel altijd heftig dichtgesmeerde geluid van het orgel ging met de jaren steeds meer in mijn systeem zitten. Zoals die machtige machine kan smieren, ronken, gieren, brullen en proesten. Wauw!

Ik vond pikante Italiaanse filmmuziek en even later ook Hammondjazz van helden als John Big Patton, Jimmy Smith en Dr. Lonnie Smith. Heimelijk droomde ik steeds vaker van om mijn contrabas en basgitaar aan de wilgen te hangen om zo’n smerig monster te leren bedienen. Bovendien kun je op een Hammond ook buitengewoon goed bassen: met je – liefst blote – voeten. Had ik dan veel te laat mijn muzikale roeping gevonden?

Stiekem bekeek ik urenlang de huiskamerorgels in diverse kringloopcentra, in de hoop er ooit een echte Hammond te vinden. Ik liet mijn vingers over de toetsen glijden en hoorde van binnen zo’n typisch hakkelend glissando uiteindelijk eindigen in een loeiend hoogtepunt. Maar ik vond geen Hammond en zo’n ander orgel dat misschien een beetje op een Hammond lijkt? Die hoorde volgens mij naast het aquarium in woonkamers met bloemetjesgordijnen en zijn toch niet hetzelfde als een echte vleugel, een viool of een mooie spaanse gitaar? Nee, het gaat om het echte Hammondorgel, anders niet.

Wat is mooier dan een Hammondorgel? Twee Hammondorgels! Op naar Orgel Vreten dus. Tijdens de zinderende orgelmis beuken, raggen en beroeren Thijs Schrijnemakers en Darius Timmer hun orgels, er vliegen zelfs regelmatig toetsen door de lucht. Na afloop staar ik verslagen naar het toneel. Als ik ooit een Hammond wil proberen is dit het moment… Wijfelend vraag ik Thijs of ik een keer zo’n Hammond glissando mag maken. “Natuurlijk!,” zegt Schrijnemakers met een Brabants accent.

Even later zit ik op het bankje. Schrijnemakers legt uit dat ik mijn vingers over de toetsen moet laten glijden en dan op een punt stoppen. Ik doe het terwijl de meester zelf de register bediend. Wat? Ben ik dat? Breng ik dit zwanger gierende geluid voort? Ik voel een blos op mijn wangen komen en wil het uitschreeuwen. Ik voel hoe de Hammondgeest in mij komt, ik heb mijn Lesley gevonden en ben bekeerd. Maandag na het festival begint mijn orgeljacht!

Orgel Vreten – De wederopstanding
21 en 22 juni 11.00 en 14.00 uur, locatie 31 Cafe Groene Weide – Oost, €13
Orgel Vreten
21 juni 23.00 uur, Westerkeyn, vrij toegankelijk met polsbandje

Tekst Pieter-Bas van Wiechen
Foto Nichon Glerum

Vegaterrorisme

In het buitenland heb ik meermaals met het schaamrood op de kaken proberen uit te leggen dat wij een “Party for the Animals” in ons parlement hebben zitten. Geen grap, nee echt. Ik ben geen dierenliefhebber en ook geen vegetariër. Hoog tijd om mezelf voor te stellen een koe te zijn.

Oerol voor PB_NG-2
foto: Nichon van Glerum

Op Oerol kom ik regelmatig een bezoeker of maker tegen die ik ervan verdenk een biologische kruidentheedrinkende geneeskrachtige stenen leggende vegetariër te zijn. Van die mensen die van top tot teen uitstralen dat zo in balans met de natuur, en zichzelf. Ik krijg er maar jeuk van. Maar ik maak het mijzelf graag moeilijk en dus probeer ik op Oerol altijd een lekker tegen de haren in strijkende voorstelling op te bezoeken. Dit jaar was het niet moeilijk want in oost wordt een pleidooi voor een leven zonder vlees gehouden. Ik besluit te gaan en mezelf na afloop te trakteren op een lekkere shoarma. Lekker puh.

In het Hoornse bos storten de actrices Lotte Dunselman en Anna Schoen een bak bloederige varkens en harde bio-industrie data over het publiek uit. Ik voel hoe het om mij heen steeds stiller wordt. Ze schetsen beelden van miniscule hokjes vol uitwerpselen en te kleine varkens die doodgeslagen worden. Ik slik, een-twee-drie keer, steeds vaker. Ik heb geen zin meer in shoarma.

Na afloop van de voorstelling voel ik frisse tegenzin om de twee actrices die mij een heerlijke shoarma hebben ontnomen te ontmoeten. Dus jullie vinden dat ik vegetarier met worden, mompel ik. “Nee hoor!” zeggen de twee dames in koor. “Wij zijn het zelf ook niet, al eten we door deze voorstelling wel een stuk minder vlees. Het is vooral de bedoeling dat mensen erover na gaan denken.”

Potjandrie wat een toptheater!

TgECHO – Stel je bent een koe. 18 t/m 21 juni 19.00 en 21.15 uur, lokatie 30 Cupido’s Plak – oost, E13

De Oerolbijbel van Paulien en Chris

Voor vroege vogels op Oerol is de ochtendtalkshow op Westerkeyn een begrip. Presentatoren Bajema en Cornelisse kijken er ieder jaar weer naar uit: “Doordat er van ons programma niets op internet overblijft en alles vervliegt durven mensen hier veel meer te zeggen.”

Oerol voor PB_NG-1foto: Nichon van Glerum

Een uur voor aanvang van de ochtendshow zitten een aantal mensen al klaar in de 100% Terschellingtent op Westerkeyn. Ze lezen nochalant deze krant maar van binnen zijn ze als een kind zo blij met de beste plaatsen. Bij aanvang zit de tent zo vol dat lang niet iedereen de show kan zien. Om de tent heen zitten mensen op de grond, ze staren naar het gras alsof er daar een transistorradio begraven ligt.

Cornelisse en Bajema nemen hun dagelijkse ‘uitzending’ erg serieus, ze laten me een lijvig boekwerk zien. In hun oerolbijbel heeft elke festivaldag een eigen tabje. Behalve aantekeningen en vragen plakt Cornelisse er met een pritt-stift ook vanalles bij. “Wij hebben productionele hulp van Karlijn Benthem en Anouk Rutten, die daarnaast ook nog de Oerolcolleges en de groepsexpedities doen en verder doen we alles zelf: voorstellingen kijken, vragen bedenken, beeld photoshoppen en dan voor iedere gast een eigen jingle maken. Daar zijn we elke dag heel lang mee bezig. Wij kunnen echt niet elke dag een paar uur naar muziek gaan liggen luisteren in een duinpan zoals een zekere Avro presentator hier schijnt te doen.”

Nog wensen voor de toekomst? “Ja! We zouden heel graag een keer een late night ochtendtalkshow willen maken. Echt met ochtendsfeer maar dan s’avonds laat ergens op een geheime lokatie,” zegt Cornelisse. “Verder willen wij al lang ergens op het eiland, bij voorkeur op de bosplaat een heel groot billboard plaatsen waarop wij staan als Amerikaans presentatie duo met een koffiemok in de hand. En dan azen wij al heel lang op zo’n medewerkers t-shirt, we willen heel erg graag weten wat je daarvoor moet doen.”

Paulien Cornelisse en Chris Bajema – ochtendshow. 18 t/m 22 10.00 uur, Westerkeyn, midden, bandje