Archive for the 'Interview' Category

Fatou Bensouda, puppet or hero?

Eindelijk Fatou Bensouda geïnterviewd, de procureur van het Internationaal Strafhof in Den Haag (ICC). Eerste vraag in een serie van 6: Bent u een marionet van het Westen?

Deze video is onderdeel van Regards sur Gbagbo van de Wereldomroep nieuwe stijl. Het is een platform voor jonge Ivorianen over de zaak van hun oud-president Laurent Gbagbo bij het ICC. Klik op de banner boven voor de hele (Franstalige) website:

YouTube voorvertoningsafbeelding

Johnson Sirleaf: I’ll not fire my sons

Ellen Johnson Sirleaf, the president of Liberia, is a beloved leader around the globe. She received the Nobel Peace Prize 2011. Yet, in her own country she’s been accused of nepotism. I was on hand for an exclusive interview.

Three of your sons have been appointed to high government positions. How do you explain this?

“We have a country that has a very low capacity. Some of our institutions – the ones that have to carry out the important reforms for the transformation of our country – simply do not have the capabilities. They also sometimes lack the sufficient integrity to be able to do what is right.”

“We have to place certain people close to us in positions to carry out our mandate of reform at the level of competence and honesty that is needed.”

“Nepotism is putting somebody who is a relative in a position for which they don’t have the qualifications, integrity or competence. There are times when you have to hire relatives, even when it’s a temporary measure, to achieve your objectives.”

You’ve accused former Liberian president William Tolbert of nepotism because he put his relatives in powerful positions. Do you think they were competent?

“Oh absolutely they were competent. Look, I’ve been criticized now too. But meeting your objectives at the end of the day is what counts most.”

So you will not fire your sons? To show that you are a hero of anti-corruption?

“No, I will not. There is a mandate and there’s a job to be done. When that job and mandate is done, perhaps they’ll move on to other things.”

Government officials in Liberia sometimes earn up to 10,000 dollars a month. Is there anything you can do about that?

“We have to recruit Liberians of certain professional skills and experience to certain strategic posts. If we do not pay them well, we will not be able to recruit them. We actually pay foreigners on our technical assistance programme much more than that.”

“If a Liberian is qualified and competitive and if we want to get them, we’ve got to do that. Those Liberians getting positions and getting high salaries are strong, experienced managers, recruited from corporations abroad. Their skills are desperately needed to build our country. Liberians should not criticise those who come home with the right skills to rebuild their country. We need them at home.”

How will you gain trust in Liberia?

“I have trust in Liberia. I’m not talking about the noisy minority – that’s just all part of transformation. I’m talking about a
satisfied majority who I meet in rural areas and who are pleased that their lives have changed, their incomes have increased and they’re getting better services.

“We accept the criticism and the comments. We also accept the adulation and the praise. That’s part of moving ahead in a democratic society where all rights are respected and protected. Liberia is making progress and the majority of the Liberians and the international community is quite aware and recognizes that.”

Ellen Johnson Sirleaf visited the Netherlands to receive an Honorary Doctorate Degree at Tilburg University on 9 November.

Eigenlijk kan Cirkus Treurdier niet op Oerol staan

Met de straattheatervoorstelling ‘iedereen te koop’ denderde Circus Treurdier vorig jaar over het eiland. Wie wilde dat het collectief een scene speelde of liedje zong moest betalen. Ondertussen liepen de acteurs rond in kleding met merknamen erop. “Die voorstelling is een beetje uit nood ontstaan we warenals gezelschap nog onbekend en moesten ons in kijker spelen daarnaast hadden we geen budget. En door zo openlijk op zoek te gaan naar geld hadden we ook nog een maatschappelijk thema beet.”

De markt speelt in hun nachtcafe op Terschelling een minder grote rol al is het niet helemaal afwezig. Circus Treurdier beschouwt het zoeken naar nieuwe manieren van financieren als substantieel onderdeel van het gezelschap. “De afgelopen decennia gaven we kunstenaar subsidie zodat ze in alle rust hun werk konden doen. Maar door dat systeem is er een afstand ontstaan tot de maatschappij. Doordat wij zo actief naar geld zoeken hebben doorlopen echt contact met mensen in alle uithoeken van de maatschappij. Het mooie is dat die contacten inspirerend zijn en energie geven.”

De revue achtige voorstelling Nachtcafe speelt Circus Treurdier ook in Amsterdam waar ze ook het horecadeel zelf doen. “De financiering van Circus Treurdier rust op vijf pijlers: sponsoren, traandeelhouders, horeca-inkomsten, een beetje subsidie en kaartverkoop,” legt Spijkerman uit. “Door de inkomsten te spreiden zijn wij minder kwetsbaar.”

Hoewel Spijkerman het een eer vindt om op Oerol te mogen spelen, is hij wel krtitisch op de organisatie. “We staan in Heartbreak Hotel die tijdens onze voorstelling een mooie baromzet draaien. Onze enige inkomsten komen uit de kaarteverkoop waarvan 25% voor oerol is. We hebben dus geen eigen horeca inkomsten, mogen onze sponsoren niet meenemen en eigenlijk mochten we van Oerol ook geen traandeelhouders werven. Daarvoor heb ik echt moeten vechten.”

De regelmatig in konijnenpak rondhuppelende Spijkerman is ineens bloedserieus. “Als ons de mogelijkheid niet eens wordt geboden kiet te spelen, kunnen wij, gezelschappen uit het middensegment, hier niet meer staan,” legt Spijkerman uit. “Bijhandel als verkoop van t-shirts en CD’s mag niet, je mag zelf geen drank verkopen en kaartopbrengst is laag. Kortom: op Oerol staan is duur. Dus kunnen straks alleen jonge makers die het zien als investering hier staan en gesubsidieerde gezelschappen die geld zat hebben op het festival staan.”

“Oerol zou wat oude principes overboord moeten zetten en ons de mogelijkheid moeten geven om creatief te zijn, ook op ondernemersvlak. Want wat is er op tegen als ik erin slaag om zelf mijn voorstelling te financieren?” Spijkerman is ondanks zijn kritiek dol op het festival. “De sfeer op het eiland en het publiek hier zijn geweldig en ook de samenwerking met Heartbreakhotel is fantastisch. Oerol is mijn lievelingsfestival en ik hoop gewoon dat ik hier in de toekomst ook nog kan staan.”

Circus Treurdier – Het eeuwige nachtcafe IV. 22 en 23 juni, 20.30, locatie 52 Heartbreak Hotel – oost

“Je kunt geen wegen tot de oneindigheid aanleggen.”

Vlaams minister van Verkeer Hilde Crevits heeft het niet makkelijk. Wie in haar gebied even echt flink op het gaspedaal drukt, rijdt binnen onafzienbare tijd over andermans grondgebied. Wallonie, Brussel en Nederland zijn nooit ver weg. Dus gaat Crevits er prat op goede relaties te hebben met haar collega’s. Duidelijk goed gemutst laat ze weten: “Ik ervaar dat elke dag.”

210 kilometer. Dat is de afstand die minister Hilde Crevits (1967) elke dag weer aflegt om van haar huis naar haar kabinet (Vlaams voor ministerie) in Brussel te komen. 105 kilometer werken en bellen heen, 105 kilometer werken en bellen terug, want christen-democratische politica woont nog altijd in haar geboorteplaats Torhout.

Elke dag op en neer, en Crevits doet dat niet om als minister de staat van de wegen te controleren. Nee, als een een echte Vlaamse politica is ze stevig verankerd in haar eigen regio. Ze is er geboren en getogen en begon er haar politieke carriere. Nog altijd is ze naast minister ook gemeenteraadslid in de kleine gemeente onder de rook van Brugge.

De Vlaming en de kerktoren van de plek waar ze ter wereld kwamen, het blijft een onverslaanbaar duo. Over de vraag welke weg de minister zelf het meest koestert, hoeft ze niet lang na te denken: “De E403 van Kortrijk naar Brugge met afrit Torhout, dat is mijn afrit naar huis,” klinkt het resoluut. “Ik heb deze afrit al op alle mogelijke uren van de dag gezien, in het donker, in de opgaande of ondergaande zon en ook al in de regen en de mist. Het is hetzelfde maar toch telkens anders… en het is ook wel telkens thuiskomen.”

(foto: www.hildecrevits.be)

In de volksmond mag Crevits dan minister van verkeer genoemd worden, officieel prijkt er ‘mobiliteit en openbare werken’ op haar visitekaartje. Behalve van snelwegen, op- en afritten en strooizout is ze ook minister van “Busje komt zo” zoals ze het zelf typeert. Openbaar vervoer dus. Om alles ingewikkeld te houden is ze niet de enige met een dergelijk ambt in Belgie. De federale regring van het land, Brussel en Wallonie hebben ieder hun eigen mobiliteitsminister.

Een Vlaams minister van verkeer. Het zal vooral onze Nederlandse lezers wat vreemd in de oren klinken. Heeft een klein land als België niet genoeg aan een Belgische minister van verkeer?
“Mijn bevoegdheden mobiliteit en openbare werken zijn ruimer dan de investeringen in wegen alleen. Tot mijn pakket behoort ook het openbaar vervoer, havens, regionale luchthavens, bruggen, waterwegen, verkeerseducatie, kustverdediging… Vlaanderen staat voor grote uitdagingen door zijn specifieke situatie: heel veel lintbewoning, veel verstedelijkte gebieden die kort op elkaar liggen, enkele grote economische poorten met een invloed op de mobiliteit… Deze specifieke (grondgebonden) situatie vraagt ook een gerichte aanpak en die doen we via het Vlaamse mobiliteitsbeleid.”

Toch kunnen bussen, wegen en stranden niet praten en hebben dus weinig met taal te maken. Bovendien: zowel Wallonië als Vlaanderen hebben toch belang bij een goed en op elkaar aangesloten wegennet. Levert dat echt geen (verkeers)opstoppingen op?
“Er zijn gemeentewegen en gewestwegen. En tot voor kort waren er ook nog provinciewegen. Net zoals in andere federale staten zoals Duitsland en Zwitserland zijn er in België een aantal bevoegdheden overgeheveld van de federale staat naar de gewesten. Maar wees gerust, onze wegen en ons openbaar vervoernetwerk sluiten op elkaar aan. Dat ervaar ik zelf elke dag.”

Hoe liggen de verhoudingen tussen de Belgische staatssecretaris van mobiliteit en u als Vlaams minister?
“Mijn relatie met mijn federale collega, staatsecretaris voor Mobiliteit Etienne Schouppe, is uitstekend! We hebben ook regelmatig overleg. Ook met mijn andere collega’s van het Brussels en Waals gewest heb ik contact.”

De grootste uitdaging van iedere minister van verkeer is om iets te doen aan de grootste frustratie van de automobilist: de files. U heeft er vast wel eens over nagedacht, enig idee hoe dit probleem op te lossen zou zijn?
“Er is geen simpele oplossing voor de files. Het vereist een integrale aanpak. Uit een recent verplaatsingsonderzoek blijkt dat alle Vlamingen samen zo’n 21 miljoen verplaatsingen per dag doen. We nemen de auto voor ruim tweederde van alle verplaatsingen. Opmerkelijk is dat bij de helft van de mensen die op maximaal 5 km van hun werk wonen, toch de auto gebruiken. Hier is nog een groot potentieel voor de fiets. De huidige cijfers geven stof tot nadenken over hoe we in de toekomst gaan verplaatsen. De bevolkingsgroei, de vergrijzing en de daling van het aantal mensen per gezin zullen er enkel voor zorgen dat we ons nog meer gaan verplaatsen. We kunnen geen wegen tot in de oneindigheid aanleggen.

“In beleid zet ik nu in op verschillende sporen: investeren in fietspaden om meer mensen op de fiets te krijgen, net zoals in Nederland, waar er een echte fietscultuur is. Verder wil ik het openbaar vervoer meer vraaggestuurd maken en om de doorstroming op de weg te verbeteren wil ik zogenaamde slimme wegen aanleggen. Dat kan met dynamische borden zodat de weggebruikers over accurate info beschikken en hun traject kunnen aanpassen.

“Ook wil ik een aantal missende verbindingen aanleggen. Tegen het einde van mijn legislatuur moeten er zes in uitvoering zijn: Noord Zuid Kempen, Noord Zuid Limburg, derde scheldekruising in Antwerpen, de A11 naar Zeebrugge, N60 rondweg in Ronse, vervollediging van de zuidelijke tak van de R4 in Merelbeke.”

Waar liggen in de nabije toekomst de andere grote uitdagingen in het Vlaamse verkeer?
“Infrastructuur moet sterk, veilig en slim zijn. Ik ben gestart met een grote inhaaloperatie om de onderhoudsachterstand in te lopen. De autosnelwegen wil ik weer in goede staat hebben tegen 2015, de gewestwegen tegen 2020. Gevaarlijke kruispunten worden systematisch aangepakt, zodat ongevallen dalen. Verder streef ik naar een juiste verhouding tussen fiscaliteit en prijs. Rond 2013 willen we een kilometerheffing voor vrachtwagens invoeren. Voor personenwagens willen we een vergroening van de autofiscaliteit op basis van milieucomponenten van de auto’s.

“Tot slot wil ik inzetten op multimodaliteit. Als we ons verplaatsen moeten we niet exclusief kiezen voor het ene of het andere vervoersmiddel, maar voor een combinatie. Daarom moeten er naadloze overstappunten voor personenvervoer komen, van fiets naar trein, bus en/of auto.”

(foto: www.hildecrevits.be)

Nederland
Spannender dan de interne Belgische mobiliteitsverhoudingen is wellicht de relatie met Nederland. De Vlaamse en Nederlandse regeringen steggelen wat af. Nederland doet moeilijk over ontpolderen in Zeeland en Vlaanderen jaagt de Nederlandse automobilist op kosten door een wegenvignet in te voeren. Hoog tijd de Vlaamse minister te vragen naar de verhoudingen met het buurland.

Heeft u regelmatig contact met uw Nederlandse collega?
“Sinds de vorming van de nieuwe Nederlandse regering heb ik al een paar keer minister Melanie Schultz van Haegen ontmoet onder andere over de nieuwe sluis van Terneuzen. De gesprekken zijn zeer constructief.”

Ik begrijp dat u hier een diplomatiek antwoord geeft maar toch zijn er nogal wat zaken die niet helemaal soepel lopen. Denk maar eens aan de ijzeren rijn, de Hedwigepolder en het wegenvignet. Waarom zitten de twee buurlanden elkaar op dit gebied eerder dwars dan dat ze elkaar sterker te maken?
“Kijk, ieder heeft in elk dossier zijn eigen aandachtspunten. En daarover moeten we samen tot een vergelijk komen. En dat proberen we te doen door constructief met elkaar te overleggen.”

CV Hilde Crevits

1967 geboren te Torhout

1985-1990 studie rechten in Gent

2000-2004 provinciaal raadslid CD&V, West-Vlaanderen

2001-2007 eerste schepen (wethouder, red.) in Torhout

2004-2007 Parlementarier Vlaams parlement

2007-2009 Vlaams minister van openbare werken, energie, leefmilieu en en Natuur

2001-heden gemeenteraadslid Torhout

2009-heden Vlaams minister van mobiliteit en openbare werken

Hilde Crevits is getrouwd met architect Kris Devolder. Het stel heeft twee kinderen.

“Een land met caviapolitie leek ons een mekka”

Noodweer maakte dat het paspoortproject ‘Stranding’ van Linda Pijnacker en Roeland Troost afgelopen zondag afgelast werd. Terwijl hun nagebouwde drenkelingenhuisje bijna bezweek onder het water, kregen ze toch nog bijzonder bezoek. Een kleine zeehond trotseerde weer en wind: “Ik wilde deze voorstelling per se zien!”

In de loods van Hessel Wiegman in West-Terschelling ligt de zeehond die zichzelf ‘Oerol’ noemt er relaxed bij. “Ik begrijp niet waar jullie je zo druk om maken,” zegt hij terwijl hij een visje weghapt. “Niet dat ik iets te klagen heb, de Wiegman geeft me geweldig te eten.”

Het is een wat vreemd contrast, nog niet zo lang geleden waren de spelers van Strading, Oerolproducent Bastiaan de Leeuw en zeehondenopvanger Hessel Wiegman nog in rep en roer. Bij strandpaal 6 was namelijk een jonge zeehond gevonden zonder zijn moeder. Omdat het beest niet wilde praten noemden ze hem Oerol.

“Ik ben wel blij met die naam Oerol,” zegt het beest dat zijn verhaal exclusief aan de Oerolkrant vertelt. “Eigenlijk hoor ik hier namelijk niet te zijn. We komen uit Denemarken maar zijn dat land ontvlucht wegens het populistische klimaat. Mijn moeder had gehoord dat er in Nederland een aparte dieren- en caviapolitie is, dat land leek ons een mekka.”

Dus zwom ‘Oerol’ met zijn moeder zonder papieren naar de Waddenzee. “Toen ik voor het eerst mijn kop hier uit het water stak, zag ik dat jullie nog veel meer hebben dan een dierenpolitie. Ik hoorde prachtige muziek en zag mensen op het strand mooie bewegingen maken. Fantastisch gewoon! Ik ben verder gezwommen en zag steeds weer iets anders. Ik begreep dat er bij paal 6 ook zo’n voorstelling was dus ben ik daarheen gezwommen. Eenmaal aangekomen bleek alles afgelast wegens het slechte weer. Nou ja, stelletje mietjes ik zwem toch ook gewoon door hoog water?”

Teleurgesteld zocht ‘Oerol’ zijn heil op het droge. Door al die mooie kunst had ‘Oerol’ niet echt op zitten letten en was hij zijn moeder kwijt. Eilander Wiegman nam het beest mee naar zijn loods om het daar wat tot rust te laten komen. Direct na dit interview gaat hij op de boot naar de wal.

“Ik ga zo naar Pieterburen jullie speciale azielzoekerscentrum voor zeehonden, ik hoop dat ik daar een verblijfsvergunning krijg want ik wil later graag Oerolacteur worden. Al heb ik begrepen dat daar hier steeds minder geld voor is, vreemd hoor want jullie hebben wel een dierenpolitie… Trouwens wat doen die agenten eigenlijk? Criminele eksters oppakken?”

Dit interview met een zeehond verscheen eerder in de Oerolkrant 2011. Illustratie: Bas van der Schot

Ben jij Belg? Dan zijn wij familie!

Wij van Leven op Pluto kenden David van Reybrouck al een beetje van ons verblijf in het wonderschone Brussel. Inmiddels heeft ook de rest van Nederland de Belg in de armen gesloten. Dit najaar won hij de AKO-literatuurprijs en de Libris Geschiedenisprijs voor zijn nieuwste boek Congo. Een geschiedenis. In opdracht van de Wereldomroep schoten wij de schrijver aan voor de deur van Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond te Amsterdam.



Hoezo een geschiedenis van Congo?
“Omdat ik hem wilde lezen. In 2003 reisde ik voor de eerste keer naar Congo. Ik was toen op zoek naar een toegankelijke en complete geschiedenis van het land, maar ik kon niets vinden. Toen zei ik tegen mijzelf: Als dit boek niet bestaat, zal ik hem zelf schrijven!
Dus schreef ik een geschiedenis van Congo tussen 1850 en 2010, ruim anderhalve eeuw. Ik sprak honderden Congolezen en dook ik documenten en verhalen op uit archieven. Het is een geschiedenis die wordt verteld door de Congolezen zelf.”

Hoe herinnert een Belg zich het – soms bloedige en racistische – Belgisch Congo?
“Dat hangt af van de leeftijd. Oudere mensen lijken een zekere koloniale trots te hebben. Maar de jongere generatie voelt zich schuldig, schaamt zich. Zij hebben behoefte aan bezinning. Ik denk dat het belangrijk is dat België een periode van reflectie doormaakt.
Tegelijkertijd moet je niet vast komen te zitten in reflectie. Je kunt ook te veel schuldgevoelens hebben. Schuldgevoelens hebben ook iets egocentrisch. De band tussen België en Congo is te belangrijk voor zulke gevoelens.”

Wat hebben Belgen en Congolezen nu nog met elkaar?
“Economisch gezien is de DRC veel minder belangrijk voor België dan vroeger. In de koloniale tijd was België zeer afhankelijk van Congo. Nu zijn de economische belangen minimaal.
Maar er is een symbolische, historische en emotionele band. Zeker bestaan er pijnlijke nostalgische manifestaties. Maar de jonge generatie toont nieuwe interesse voor Congo. Ze willen er heen. Ze willen de Congolezen ontmoeten.”

Zijn Belgen welkom? Begrijpen Congolezen wat jij daar zoekt?
“De eerste keer dat ik in DRC aankwam, schaamde ik mij. Ik durfde mensen nauwelijks te vertellen dat ik Belg ben. Ik was bang dat de Congolezen mij verantwoordelijk zouden houden voor alles wat gebeurd is in de koloniale tijd, ook al ben ik te laat geboren.
Maar dit gebeurde helemaal niet! Vreemd genoeg, waren de Congolezen die ik tegenkwam eerder blij. Ze zeiden: “Ben jij Belg? Jouw ouders en voorouders waren onze kolonisatoren. Dus wij zijn familie!” Dit laat zien hoe ontzettend genereus de Congolezen zijn.”

Je schreef Congo. Een geschiedenis. Hoe zit het met de toekomst?

“In 2000 was het land verwoest door de oorlog. Nog steeds is de DRC een zeer fragiele staat, maar dat is al een hele stap. Het land maakt nu een economisch herstel door. Tegelijkertijd zijn er veel negatieve ontwikkelingen. De democratische successen van de verkiezingen in 2006 lijken verdwenen. Er is minder publieke en democratische ruimte dan voorheen.
In 2011 zijn er nieuwe verkiezingen. Ik hoop dat deze verkiezingen het grote democratische avontuur van Congo nieuw leven zullen inblazen.”

Luister hieronder naar een interview met David van Reybrouck in het Frans (!) en naar enkele fragmenten uit zijn boek / Ecoutez un interview avec David van Reybrouck en francais & quelques fragments de son livre. 

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

Max Kohnstamm: 95 jaar dromen

Vandaag bereikte mij het droevige bericht dat Max Kohnstamm op 96-jarige leeftijd is overleden. In april 2009 had ik nog de eer om deze bijzondere oud-diplomaat te interviewen voor het lustrumblad van het Amsterdams Studenten Corps. Het bleek een van de laatste interviews te zijn.  

Hij was persoonlijk secretaris van Koningin Wilhelmina, verzetsheld en een van de drijvende krachten achter de totstandkoming van de Europese Unie. Maar in het lijstje beroemde ASC-ers op wikipedia komt zijn naam niet voor. Toch is Max Kohnstamm op het internationale podium misschien wel de allerberoemdste ASC-er en een van de oudste want in mei 2009 bereikt hij de respectabele leeftijd van vijfennegentig jaar.

Naast de A4 van Brussel naar Luxemburg ligt het kleine gehucht Fenffe. Zodra de snelweg achter je ligt begint het landschap te glooien en wisselen open velden en bossen elkaar af. Hier, waar de Belgische Ardennen beginnen, brengt Max Kohnstamm (1914) het grootste deel van het jaar door. Het dorpje is zo klein dat de straten er geen namen hebben. Het is even zoeken maar als ik het juiste huis heb gevonden en ik de auto ervoor parkeer, verschijnt al snel het hoofd van Kohnstamms vrouw Kathleen Sillem voor het raam. De twee vormen een onafscheidelijk stel. De vrouw des huizes verwelkomt mij en leidt me naar de woonkamer waar de oude Kohnstamm op een stoel de krant zit te lezen, begeleid door het tikken van de klok. ‘Als de Herald Tribune niet komt ben ik doodongelukkig’ zegt de man die ondanks zijn leeftijd nog steeds alles in het werk stelt om de actualiteit te volgen.

Kohnstamm staat op en geeft me een hand. ‘Het is zo prachtig hier,’ zegt hij terwijl hij lichtelijk kromgebogen naar het raam draait. ‘De lente is begonnen, de bosnarcisjes zijn deze week gaan bloeien.’ We kijken uit het raam. De tuin ligt er prachtig, opgeruimd bij. Een ruim, gemaaid gazon wordt her en der onderbroken door eilandjes kleurige bloemen, in de verte heuvels. De rust en de natuur zijn de voornaamste redenen voor het echtpaar Kohnstamm om zoveel mogelijk tijd in Fenffe door te brengen. Ooit kocht Kohnstamm het huis als vakantieverblijf maar al snel groeide het uit tot het episch centrum van Kohnstamms Europese activiteiten. ‘Het ligt fantastisch!’ vertelt Kohnstamm. ‘Brussel, Parijs en Bonn. Al die steden waar ik vaak moest zijn liggen hier relatief dichtbij.’ Fenffe blijkt alles behalve een dorpje in the middle of nowhere, het gaf Kohnstamm de mogelijkheid om binnen een dag op en neer te gaan naar maar liefst vier Europese hoofdsteden. ‘Weet je nog hoe ik je dan ophaalde?’ memoreert zijn vrouw mee. ‘Dan kwam je aan in Houy met het laatste boemeltje.’

Navelstaren in Europa

De oude heer gaat op zijn stoel zitten en spreekt bedachtzaam. Soms met een versnelling waardoor hij ineens vijftien jaar jonger lijkt, dat geldt zeker als het over de actualiteit gaat. Obama bijvoorbeeld, hem volgt Kohnstamm met grote interesse. “Ik heb een grote bewondering voor die man en zijn vrouw. Al jaren had ik het gevoel dat hij de juiste man op de juiste plek zou kunnen zijn. Alleen had ik nooit gedacht dat hij president van de Verenigde Staten zou kunnen worden. Obama vindt veel problemen op zijn bord en toekomst zal moeten uitwijzen of hij in staat is om deze op te lossen. Voor echt grote veranderingen heeft hij toch een tweede termijn nodig.”

Volgens Kohnstamm is het grote verschil tussen Obama en zijn voorganger dat de nieuwe president iets meer in termen van een grotere gemeenschap denkt. En daar kunnen wij volgens Kohnstamm veel van leren. “Ik heb best bewondering voor die zestien miljoen mensen in dat moeras in Nederland, maar veel mensen blijken zich niet te realiseren hoe klein wij zijn. Over de dijk kijken blijft moeilijk terwijl het zo belangrijk is om problemen in de toekomst te voorkomen.” Kohstamm maakt zich dan ook zorgen over het toenemende Eurosceptisme in Nederland. “Daar moet je enorm voor uitkijken, voor je het weet wordt Nederland meer een toeschouwer van de werkelijke macht in plaats van invloedrijk. De regering in Den Haag moet het belang van internationale samenwerking veel duidelijker maken. Timmermans doet erg zijn best maar hij is staatssecretaris geen minister.”

Toch staat Nederland hierin niet alleen, meer landen zijn teveel met zichzelf bezig. “Misschien is jezelf terugtrekken op je eigen bastion op een moment dat het even moeilijk gaat wel heel menselijk,” zegt Kohnstamm na enig nadenken. “Je ziet dat bijvoorbeeld kanselier Merkel dat nu ook doet. Soms lijkt het wel alsof regeringen zich niet voldoende realiseren dat deze problemen zo wereldwijd zijn en dat een oplossing eerder gevonden wordt in samenwerking. Dat was na de Tweede Wereldoorlog ook zo. Hoe kon je Nederland weer opbouwen als in Zevenaar de woestijn begon? Dat ging niet, om ons land snel op te bouwen was een herstel van Duitsland onontbeerlijk.”

Achterom kijken is duidelijk niet Kohnstamms specialiteit. Toch studeerde hij geschiedenis. Het was Jean Monnet, het grote voorbeeld van Kohnstamm en een van de vaders van de Europese Gemeenschap. “Toen ik voor Monnet ging werken leerden wij heel snel dat we vooruit moesten kijken. De Tweede Wereldoorlog lag net achter ons en de gedachte was: “Dit nooit meer.” Ik moest bijvoorbeeld ook samenwerken met de Duitser Winrich Behr. Tijdens de oorlog stonden we eigenlijk tegenover elkaar, Behr had in het Duitse leger gezeten en ik in een kamp.” Kohnstamm zat in de oorlog enkele maanden in de kampen van Amerfoort, Haaren en Sint-Michielsgestel. “Een nieuwe oorlog voorkomen kon alleen maar door samen te werken. Toch was het ook heel belangrijk dat er mensen waren die hardop riepen dat het anders moest. Misschien is dat het probleem wel. Hoe kun je voor een een nieuwe structuur zijn als je nooit hebt meegemaakt dat de oude niet werkte? Daarom blijf ik voor de internationale zaak vechten en ervoor pleiten.”

De elitaire student

Hoog tijd om Kohnstamm naar zijn studententijd te vragen. Hij kwam in 1933 in Amsterdam aan en werd lid van het dispuut Bredero. Bij het corps schopte hij het tot voorzitter, als opvolger van niemand minder dan Joseph Luns, die later premier van Nederland en secretaris-generaal van de Navo zou worden. Toch had Kohnstamm weinig contact met zijn voorganger. “In die tijd had je binnen de vereniging een duidelijke scheiding tussen de witten en de roden. Zonder dat dit een regel was, wisselde ook het voorzitterschap tussen die twee richtingen elkaar af. De Roden wilden dat alles bleef bij het oude terwijl de Witten zich wel hielden aan de oude mores maar dan met gevoel voor humor.”

“Het waren andere tijden waarbij er echt nog sprake was van een klasseverschil,” memoreert Kohnstamm. “Wij hadden als corpsstudenten helemaal niets te maken met de ellende die er in de jaren dertig in De Jordaan plaatsvond. Die wijk lag niet ver weg maar toch hadden we geen idee dat daar echt honger werd geleden. In mijn tijd nam je als voorzitter van het ASC de erewacht nog af samen met de burgemeester,” vertelt Kohnstamm om lachend te vervolgen: “Ik wilde op een gegeven moment samen met een vriend op reis naar Tsjechië. Vlak voordat we vertrokken kwam ik erachter dat ik mijn paspoort kwijt was. We gingen naar het stadhuis en binnen een mum van tijd had ik een nieuwe, zo ging dat voor ons.”

Toch heeft Kohnstamm niet heel veel directe herinneringen aan de vereniging. Het was een leuke tijd volgens Kohnstamm maar toch begon zijn leven pas echt toen hij over de grens ging kijken. “Al tijdens mijn studententijd, in 1938, heb ik bijna een jaar door de Verenigde Staten gereisd. Ik kreeg de mogelijkheid door een beurs van de raad van kerken waar mijn vader toen in zat. Ik wilde The New Deal van Roosevelt bestuderen en hoopte ook op veel vrije tijd. Maar toen ik daar aankwam, bleek ik les te krijgen van de mensen die meegewerkt hadden aan The New Deal, het antwoord op de Grote Depressie. Iedere avond college, geweldig boeiend. Gelukkig mocht ik daarna wel rondtrekken.”

“De sprong die Obama nu, na Bush, moet maken lijkt heel erg op die van Roosevelt,” legt Kohnstamm uit. “Ook toen was er veel commentaar op Roosevelts staatsingrijpen, vooral Republikeinen maakte zich daar toen geweldig druk om. Maar toen ik zelf in zuiden kwam, zag ik naast de shockerende tegenstellingen tussen zwart en blank ook wat dat beetje staatssteun met mensen deed. Een boer kon overleven dankzij gesubsidieerde elektriciteit waardoor hij ondanks zijn uithuizige kinderen toch de koeien kon melken met een machine.”

En zo zijn weer afgedwaald naar Kohnstamms favoriete onderwerpen. Net als bij zijn grote voorbeeld Monnet staat ook bij hem uiteindelijk de mens centraal. Kohnstamm is moe. Het gesprek van anderhalf uur kost hem veel energie. Terwijl zijn vrouw in de keuken het avondmaal bereidt, begeleidt hij mij naar de voordeur. De zon gaat langzaam onder in de heuvels en ik rijd terug naar Brussel. What a guy!

Een stem is geen stem

Een interview met journalist Ivan De Vadder over de Belgische politiek

Verontwaardiging over de vreemde zeden en gewoontes van de politiek in zijn land België, dat was voor Ivan De Vadder de reden om een “Pleidooi voor een eerlijke politiek” te houden in boekvorm. “Ik geloof wel dat veel politici het hebben gelezen, maar echt grote veranderingen zie ik nog niet.”

Het is alsof er iets niet klopt: terwijl de onderhandelingen voor een nieuw Belgisch kabinet op het moment van dit interview weer eens vastlopen, zit Ivan De Vadder er ontspannen bij in het gebouw van de Vrt in Brussel. De politiek journalist mag het iets rustiger aan doen, laat hij met een treveden glimlach weten. “Mijn vijftien jaar voor het journaal waren echt loodzwaar. In dit land met zijn vele politieke crises en met een traditie van nachtelijke onderhandelingen vertrok je vaak s’ochtends van huis zonder te weten hoe laat je terug zou keren. Dan was je werkterrein niet zelden de stoep waar in weer en wind gewacht werd op politici. Binnen kwamen ze er vaker niet dan wel uit. Als ik mijn Nederlandse collega’s zag, was ik gewoon jaloers. Zij hebben tenminste nog een afdakje op het Binnenhof.”

De Vadder laat het straatwerk sinds september over aan zijn collega’s en werkt zelf sindsdien voor de Zevende Dag, een wekelijks programma met achtergronden bij het nieuws. Zijn nieuwe functie wil niet zeggen dat hij afscheid neemt van de politieke journalistiek. De Vadder wil het  juist in het programma terugbrengen. Hij is erdoor bevlogen zo blijkt want nauwelijks hebben we ons neergezet voor het gesprek of De Vadder brandt los.

“In al die jaren dat ik nu in en rond de Wetstraat rondloop, waren er steeds vaker verkiezingen. Intussen daalde het vertrouwen van de Belg in zijn bestuurders en volksvertegenwoordigers tot een tragisch dieptepunt. Veel zaken in de Belgische politiek zijn voor het gewone volk onbegrijpelijk,” vertelt De Vadder. “Toen uit een onderzoek van de Vrt bleek dat ‘eerlijkheid’ voor de Vlaamse kiezer als belangrijkste waarde voor een politicus gold, dacht ik: ‘Heren politici, het wordt hoog tijd dat u uw eigen stoep eens schoonveegt.’”

De frustratie van de kiezer zit volgens De Vadder niet alleen bij onoplosbare onderwerpen als de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde die de Belgische politiek al jaren gijzelt. “Het wantrouwen van de kiezer wordt gevoed door de gewoontes die diep in het systeem zitten: het onwaarschijnlijke aantal zonen en dochters van politici dat makkelijk carrière maakt, politici die hun zetel niet in nemen en het feit dat Vlaamse en Waalse politici totaal geen electorale belangen aan de andere kant van de taalgrens hebben, waardoor ze alleen met hun eigen parochie bezig zijn.”

Het grootste probleem zit volgens De Vadder uiteindelijk in de opvolgerslijsten (zie kader). Een systeem waardoor partijen op federaal-, gewestelijk- en gemeenschapsniveau met een dubbele lijsten aan de verkiezingen deelnemen. “Dit fenomeen werkt een aantal zaken in de hand,” legt De Vadder uit. “Allereerst zijn er heel veel mensen nodig om al die lijsten te vullen. Doordat de partijen te weinig bekende politici hebben, zijn veel mensen op meerdere niveaus verkiesbaar. Bij de laatste verkiezingen voor het federale Belgisch parlement stond maar liefst 78% van de Vlaamse kandidaten ook op de lijst bij de Vlaamse verkiezingen. Gevolg daarvan is dat een heleboel kandidaten uiteindelijk geen zitting nemen in het parlement waarvoor zich wel verkiesbaar hebben gesteld. In België zie je heel vaak dat ministers vierentwintig uur ontslag nemen om zich te laten beëdigen in het parlement. Ze geven hun zetel aan een opvolger om vervolgens zelf weer minister te worden. Door dit systeem zijn er bij de laatste verkiezingen aan Vlaamse kant eigenlijk 1,6 miljoen stemmen weggegooid omdat de de verkozen politici uiteindelijk hun mandaat niet opnamen.”

“Eigenlijk is een stem geen stem, want politici nemen hun verkiesbaarheid niet serieus,” meent De Vadder. “En dat staat in mijn ogen haaks op eerlijkheid die kiezers van hun bestuurders en volksvertegenwoordigers verlangen. Ik pleit er dan ook voor die opvolgingslijsten af te schaffen en mensen op de lijst te verplichten hun zetel in te nemen.”

Even leek het erop dat De Vadders roep gehoord werd. Vlak na de Vlaamse verkiezingen, toen zijn boek uitkwam, leek vooral de Vlaams-Nationalistische N-VA ermee aan de De N-VA doet precies wat de ander partijen ook doen: op meerdere lijsten staan en hun mandaat niet opnemen. Als je er naar vraagt, wijzen ze naar andere partijen onder het mom van zij doen het ook.”

Het boek van De Vadder heeft dus nog niet echt zoden aan de dijk gezet. Het is ook niet makkelijk om tegenwoordig politiek journalist te zijn in België. Het is regelmatig een frustrerend bestaan. De Vadder schreef een boek om de politici wakker te schudden. Veel van zijn collega’s waren het zo zat dat zij de afgelopen jaren overstapten naar de politiek. Hijzelf ziet dit laatste niet gebeuren en blijft journalist: “Het is een niet zo aangename tijd maar intussen is het ook ongelofelijk boeiend. We zitten echt op een scharnierpunt van de Belgische geschiedenis en alles lijkt nu in een stroomversnelling te komen. De Franstalige partijen lijken de Vlamingen eindelijk een beetje tegemoet te komen maar tegelijkertijd denk ik ook dat het land uiteindelijk op zal houden te bestaan. Maar wanneer dat precies gaat gebeuren? Ik durf het niet te zeggen.”

Wat zijn opvolgerslijsten?

Geen politiek systeem zo ingewikkeld als het Belgische. Om de zaak naast een wirwar van gewesten en taalgemeenschappen nog gecompliceerder te maken, wordt in België ook nog gewerkt met zogenaamde opvolgerslijsten. Dat houdt in dat elke partij met een dubbele lijst aan verkiezingen deelneemt. Op de linker lijst staan de volksvertegenwoordigers die in principe gekozen worden, op de rechter lijst hun opvolgers. Als iemand opstapt uit het parlement neemt niet de eerstvolgende op de linker lijst zijn positie in maar zijn opvolger op de rechter lijst. Dit systeem is ooit bedacht om overleden volksvertegenwoordigers van een gelijkwaardige opvolger te voorzien. Maar wordt tegenwoordig ook gebruikt als een baantje achter de hand als er bijvoorbeeld een regering valt.

“Fietsen aan de linkerkant van de weg”

Wat zijn de Linkse Hobby’s van Oerolgangers? Vandaag zangeres Roos Rebergen. Op het festival speelt zij met haar band Roosbeef én met De Speeldoos, een samenwerkingsproject met De Staat.

“Eigenlijk heb ik geen hobby’s, geen linkse en geen rechtse. Ik hou niet van sporten en niet van spelletjes. Misschien is pianospelen wel mijn meest linkse hobby want het kost geen stroom als ik akoestisch speel. Aan de andere kant compenseer ik dat door elke dag heel lang te douchen en daarmee flink veel water te verspillen. Bij ‘linkse hobby’ denk ik aan fietsen aan de linkerkant van de weg. Of aan mensen die samen iets moois maken met heel weinig geld. Zoals mijn vader en mijn broer. We woonden meer dan dertien jaar op een boerderij waar mijn vader elk jaar het festival De Koeioneur organiseerde. Eerst was daar vooral straattheater te zien, later vooral muziek. Hij kreeg er maar een klein beetje subsidie voor. Mijn broer maakte van de mestsilo met een vriend later een popcentrum. Mijn vader zag dat eerst niet zitten maar zij waren enthousiast en gingen het gewoon doen. Zo hoort het. Ik speel regelmatig op plekken waar mensen wel subsidie krijgen die zomaar uitgegeven.”

Geschreven voor de dagkrant van Oerol

De Dansende Kok

Remy Tilburg, het Surinaamse danstalent uit Amsterdam Zuidoost, is deze dagen op een zeer bijzondere manier te zien. Niet als hip-hop danser maar als gastdanser bij het Nationale Ballet.

Een avond naar klassiek ballet is in veel landen een ware kersttraditie. Ook in Nederland weten velen de weg naar theater te vinden voor romantisch avond vol tutu’s en hoge sprongen. Dit jaar danst het gezelschap het beroemde ballet Coppelia.

Remy Tilburg leerde zijn eerste danspassen in Amsterdam Zuidoost voor de deur van zijn huis. Al snel bleek dat hij een groot talent was. Hip Hop was helemaal zijn ding. Hoe Remy Tilburg bij dit gezelschap terecht kwam en hoe het hem daar vergaat hoort u in het portret “De Dansende Kok” onderaan dit stuk.
Remy deed in 2006 mee met het eerste de eerste versie van ZwanenMeerBijlmermeer waarin klassieke danser van het Nationale Ballet samen danste met jonge hip-hop en urban dansers uit Amsterdam Zuid-Ooost. Met de tweede versie in 2008 toerde Remy zelfs door het hele land. Een jaar later deed hij met goed gevolg auditie voor de Nederlands-Vlaamse versie van het beroemde TV-programma So You Think You Can Dance. In dit programma strijden dansers in verschillende genres tegen elkaar strijden en worden beoordeeld door een jury en de kijkers.

Terug naar Coppelia. Deze Russische balletklassieker vertelt het verhaal van de geheimzinnige dokter Copelius. In het dorp waar hij woont maakt hij, zonder dat de bewoners het weten, levensechte poppen. Zijn meesterwerk is de beeldschone Coppelia. Zodra deze pop op het balkon gezet wordt, valt Frans een jongen uit het dorp als een blok voor deze dame. Zijn eerdere geliefde Zwaantje is hier natuurlijk niet blij mee en gaat op onderzoek uit. Ze komt erachter dat Coppelia slechts een pop is. De rest van het ballet gaat over de de pogingen die Zwaantje onderneemt om Frans terug te krijgen, wat natuurlijk lukt.

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.