Maandelijks archief: augustus 2008

Het Vlaamse leeuwtje brult

Recensie

Gezien: IJzerbedevaart

Waar? IJzertoren, Diksmuide

Terwijl Amsterdam dit weekend hoste op de Uitmarkt, schuifelden wij tussen de IJzerbedevaartgangers in het West-Vlaamse Diksmuide. Grijzende Vlaamse nationalisten herdachten zondag hun strijders in de Eerste Wereldoorlog. Samen zingen, samen drinken en herinneringen ophalen aan oude tijden, toen de IJzerbedevaart een grote happening was.

Neo-nazi’s en aanhangers van het Vlaams Blok zorgden tot ruim tien jaar geleden voor vertier. Zij bestormden het podium en sloegen erop los. In naam van een onafhankelijk Vlaanderen. Maar de fascisten zijn niet meer welkom, zij organiseren tegenwoordig hun eigen IJzerwake. Vandaag dus een gezellig familiefeestje.

Maar hoe groot is deze familie eigenlijk? Wij waren van mening dat het hele veld ook wel in Paradiso had gepast, een slordige 1500 mensen dus. Voorzitter van het IJzerbedevaartcomité Walter Baeten hield het op zo’n tweeduizend, een kleine tegenvaller voor de man die de jaarlijkse bijeenkomst van zijn rechtse imago probeert te ontdoen. Dit jaar had hij meer entertainment en vredelievendheid aan het programma toegevoegd maar het geheel werd helaas nooit echt boeiend en trok traag aan ons voorbij in een tempo dat deed denken aan een roomse kerkdienst. Voor vele bezoekers om ons heen was het geheel veel te braaf geworden.

Het enige echte hoogtepunt was de toespraak van Walter Baeten. Om de sceptici toch nog naar zijn hand te zetten klonk het ferm dat: ‘Het project van een federaal Belgie is mislukt. Stop met federale verkiezingen! Vlaams minister-president Kris Peeters moet het heft in eigen handen nemen en Brussel opeisen!’

Wij vroegen Kris Peeters ter plaatse om een reactie:

Op zoek naar de taalgrens

Etappe 2: Brussel – Edingen – Bever – Geraardsbergen – Sint Pieters-Leeuw

Op de fiets langs het kanaal Brussel-Charleroi betrap ik mezelf op mijn Nederlanderschap. De verfrissende openheid van het fietsen langs het water is iets dat ik in België mis. Mijn genieten mag niet lang duren want mijn doel is Edingen, ten zuid-oosten van Brussel. Al snel ligt het kanaal achter me en rijd ik door het glooiende Pajottenland. Het landschap doet oorspronkelijker aan dan Limburg waar ik vorige week was, minder zelf gebouwde boerderettes en meer oude, doorleefde boerderijen. De plattelandslucht doet mij duchtig doortrappen, ik geniet van Vlaamse dikbilkoeien en de slingerende weggetjes over de heuvels op naar de taalgrens.

Na een slordige twee uur fietsen moet ik volgens de kaart de taalgrens naderen. Grenzen hebben mij altijd gefascineerd, de zindering van het andere. Maar hoe een taalgrens eruit ziet weet ik niet. Verandert de taal in één keer? Staat er een bordje?

Ik rijd Edingen binnen. Op het moment dat ik de stad binnenkom, lijkt er eerst niks te gebeuren. Totdat ik ineens midden op straat een tweetal borden vind. Het ene heet mij in twee talen welkom in de provincie Henegouwen; aan de overkant zie ik zijn collega die ons in het Nederlands verwelkomt in Vlaanderen.

Verderop in de stad: de straatnaambordjes worden tweetalig en om mij heen maken de beenhouwers plaats voor boucheries en worden de bakkers patisseries. Edingen is een kleine, eenvoudige provinciestad, met winkelketens en een marktplein met kroegen. Wat de stad bijzonder maakt is dat het een Waalse stad is met een Nederlandstalige minderheid. Vlamingen die hier wonen hebben recht op onderwijs en verenigingsleven in de eigen taal. Mocht België uiteenvallen dan zullen dit soort tweetalige plaatsen voor problemen zorgen. Want wie heeft dan welke rechten?

Toch heeft het plaatsje ook een echte verrassing. Het onverwachte zit hem in een hoek van het plein. Ik fiets de poort door en sta enkele momenten later in een enorm negentiende-eeuws park dat qua omvang en prestigeuze krullerigheid zo in Brussel had kunnen staan. Dit voelt als een spoor van de Waalse rijkdom van weleer.

In de speeltuin van het dorp laten enkele jonge ouders hun kinderen uit net voordat een naderende regenbui zal losbarsten. Anne en Vincent zitten op een bankje terwijl hun vijfjarige zoontje Matthieu energiek de mogelijkheden van het klimrek onderzoekt. ‘Echt tweetalig is deze stad niet meer,’ weet Vincent. ‘Dat was vroeger erger, al lijkt het langzaamaan terug te komen. In mijn buurt komen mondjesmaat steeds meer Vlamingen en gemengde gezinnen wonen.’

Vincent verdient zijn geld net als de meeste Edingenaren in Brussel. ‘Ik werk in een chique hotel dat vroeger bekend stond om zijn Franse allure,’ vertelt de veertiger. ‘Toen ik er kwam werken werd er alleen maar Frans gesproken. Maar sinds een aantal jaar heeft ook daar de meertalige ambitie toegeslagen. Alle mensen die daar nu aangenomen worden zijn Vlaming, omdat zij hun talen wel spreken.’ Vincent doet hard zijn best om het Nederlands onder de knie te krijgen omdat hij anders de boot dreigt te missen. ‘Ik denk echt dat ik niet zomaar een andere baan kan vinden, maar Nederlands leren is moeilijk,’ legt hij uit. ‘Mijn moeder was Vlaams maar heeft altijd Frans tegen mij gesproken. En het probleem is dat de Vlamingen onmiddellijk naar het Frans switchen als ik maar even naar woorden zoek, zo leer ik het natuurlijk nooit.’

Anne, de vrouw van Vincent, beheerst het Nederlands nog minder dan haar man. Beiden verwijten het de generatie van hun ouders. ‘Ik weet echt niet waarom ik op de middelbare school maar een uur per week Nederlands kreeg,’ vertelt ze. ‘Nu kan ik mijzelf in Vlaanderen net redden in een winkel, meer niet.’

Gelukkig voor de kleine Matthieu is er een hoop veranderd. ‘Hij krijgt nu op de kleuterschool al een uur per week Nederlands en als hij straks zes is, worden dat er vijf,’ vertelt de trotse moeder. ‘Wat ons is overkomen zal Matthieu niet gebeuren,’ voegt Vincent toe. De vader is ambitieus: ‘Ik wil hem zo goed mogelijke kansen geven in het leven en het spreken van alle landstalen is daarvoor een voorwaarde. Vijf uur op school is mooi maar over jaar melden we Matthieu ook aan voor de Vlaamse Chiro (padvinders, red.) in Herme.’

Diezelfde avond steek ik de taalgrens weer over en logeren we bij Willy Michiels in Sint-Pieters-Leeuw. De Vlaming roept wat ik hier constant hoor: ‘Ik ben geen Flamingant, maar ik vind wel dat de Walen Nederlands moeten spreken als ze in Vlaanderen zijn,’ vertelt de man van zeventig. ‘Hier in het dorp komen steeds meer Walen wonen, ik heb inmiddels geen Vlaamse buren meer. De een praat wel Vlaams; de ander niet terwijl hij hier al meer dan tien jaar woont.’ Voor Willy ligt het aan de Walen en zij moeten maar met een oplossing komen.

Het zal wel de ervaring van de Vlaming zijn, maar toch stuit ik op ongelofelijk veel welwillendheid aan Franstalige kant. Borden op de wegen rond de taalgrens prijzen cursussen Nederlands aan en in Edingen is sinds kort een van de eerste echt tweetalige scholen van België.

Misschien hadden de Franstaligen er eerder aan moeten beginnen en velen geven dat ook ruiterlijk toe. Maar: het is beter laat dan nooit. Zaterdagavond schaar ik mij in een Brussels café aan een tafel met vijf Walen. Mijn Frans is net zo gebrekkig als hun Nederlands, we praten traag in de twee talen door elkaar. Mijn tafelgenoten krijgen pretoogjes en worden steeds gretiger. ‘Eindelijk mogen wij het eens echt proberen! En is Frans niet direct de voertaal’ zegt een jongen aan de tafel. De rest knikt instemmend.

Op de terugweg naar mijn huis in Brussel realiseer ik mij dat er in dit land iets grondig mis is. Veel Vlamingen roepen ongeduldig dat de Walen beter hun best moeten doen en Nederlands moeten leren terwijl ze zelf maar al te graag hun kennis van de Franse taal etaleren. Maar eigenlijk kunnen de Walen het Nederlands het beste leren van die Vlaming zelf, dus: laat die Franstaligen rustig zoeken naar hun woorden.

De Muur

Beste Armand,

‘Ben je aan het fietsen door Belgie? Dan heb ik een opdracht voor je,’ zei jij*. ‘Fiets de muur van Geraardsbergen op!’ Dat zal ze leren, moet je gedacht hebben. Arrogante Ollanders die fietsen in Belgie.

Belgie heeft zijn eigen muur, geen stenen wal tussen strijdende bevolkingsgroepen zoals in Berlijn, Israel of China maar een fietsmuur. Oftewel een kleine berg in de Vlaamse Ardennen met een fietspad erop. Kom maar op! Dachten wij.

Na een fikse, geslaagde stijging om het centrum van Geraardsbergen te bereiken, drinken we ons moed in met een enkel biertje. Gesterkt en enigzins overmoedig rijden we richting de zo fameuze plek uit de Ronde van Vlaanderen. ‘De muur is een van de lastigste plekken uit de ronde,’ had jij ons verzekerd. ‘Wie daar als eerste bovenkomt heeft de koers meestal in zijn zak. De fikse afdaling daarna en de laatste Bosberg kan daar meestal geen verandering in brengen.’

De coureurs van Ronde van Vlaanderen hebben er al heel wat kilometers opzitten als ze de muur bereiken, wij zijn uitgerust en denken het aan te kunnen. Sophie probeert het eerst, maar op eenderde hangt de ketting al werkeloos naast het tandwiel. Schakelproblemen, waar ook Pieter-Bas mee kampt. Wat fietst zijn oude barrel ineens zwaar, zijn dunne bandjes willen steeds tussen de kasseien in plaats van erop. Hij besluit af te stappen en naar boven te lopen om het later zonder fietstassen te proberen.

Sophie zit inmiddels weer op de fiets. Langzaam pakken haar stevige mountainbikebanden het ene naar het andere kinderkopje. Dan plotseling, op tweederde van het rechte stuk, komt haar voorwiel ineens omhoog en niet veel later ligt ze roerloos op weg. Huh? Dit is dus De Muur: een ogenschijnlijk eenvoudig klimmetje dat rechtdoor omhoog gaat, maar dan wel met stijgingspercentage van 20%. Geen bochten, geen asfalt, geen ontsnapping mogelijk.

Pieter-Bas probeert het daarna nog twee keer zonder bepakking en zonder echt succes. De meest succesvolle poging standde percies op de plek waarop Sophie de berg afkukelde. Je staat gewoon stil. Na deze onderbreking lukt de rest wel.

Vol verbazing en respect zien we bovenop de berg de ene na de andere fietser arriveren. Kristof, een dertiger in strak wielerpakje, fietste de berg al talloze malen op. De eerste keer was hij elf. ‘In een keer erop!’laat hij trots weten. Kristof is speciaal voor De Muur in Geraadsbergen gaan wonen en vroeg zelfs zijn vrouw hier ten huwelijk. Hij geeft ons wat tips. ‘Allereerst moet je onderaan meteen in een hoge versnelling gaan rijden, zorg dat je iets dikkere banden hebt en tja, je zult toch een beetje moeten trainen…’ zegt de professionele amateur terwijl hij wat minachtend naar ons bijeengeraapt zooitje kleren kijkt.

We hebben alles fout gedaan. Maar mooi was het wel, we besluiten intensief te gaan trainen want we komen terug! Beste Armand, heb je nog meer goede ideeen? En: ben je zelf die muur ooit opgefietst?

Een hartelijke groet van twee Ollanders,

Sophie en Pieter-Bas

* Armand Schreurs is sportcolumnist en commentator voor o.a. de Vrt en NOS Langs de lijn.

De Indiaan van Sint-Pieters-Kapelle

“Heeft u ook een slaapplaats”, roepen wij vanaf de fiets. Aan de kant van de weg voor zijn kleine huis staat een man die je hier op het Vlaamse platteland niet snel zou verwachten. Zijn lange donkere haar, gedrongen verschijning en talloze tatoeages doen vermoeden dat we zojuist de set van een western zijn binnengefietst. De schemering nadert, de uitputting ook. Kom maar, gebaart hij. “Ik heb een kamer over.”

Onze gastheer van vanavond noemt zich Pepe. Hij is eind veertig met West-Vlaams-Waals-Italiaanse wortels. We zijn niet zijn enige gasten vanavond. Ook Etienne, een grote, vaak onverstaanbare West-Vlaming, een witte huid, wit haar en een witte auto – de man is stukadoor – ziet zijn vriend na vele jaren weer. Hij wil wellicht het kleine huis van Pepe huren, maar dat is nog niet zeker. Eerst moet het weerzien gevierd worden.

We zijn een paar kilometer verwijderd van de taalgrens, in het Vlaamse boerengehucht Sint-Pieters-Kapelle. Of België hier barst? Daar moet Pepe een beetje om lachen. “Ik spreek Nederlands, Frans, Engels en Spaans. Ik ben een Europeaan.” Politiek interesseert hem nauwelijks. De politici zoeken problemen. Pepe heeft zijn eigen problemen.

Hij verloor zijn broer aan een motorongeluk, vorig jaar overkwam zijn enige zoon op 22-jarige leeftijd hetzelfde. Tot overmaat van ramp maakte ook zijn veertien jaar jongere vriendin heeft het vorige week uit. Een en al ellende voor de man zit al zestien jaar in de ziektewet wegens allerhande kwaaltjes – hij verloor onder meer het zicht aan een oog na een wilde avond met iets teveel natte speed. Ook heeft Pepe ruzie met justitie na motorrijden met drank op. Seks, drugs en rock & roll heeft zijn tol geeist.

Met zijn vieren stappen we in de witte auto van Etienne. De mannen willen bier en wiet van Belgische kweek. Dat laatste is alleen een paar dorpen verderop te krijgen. Ook Etienne blijkt een bewogen leven achter de rug te hebben. Hij is ex-gedetineerde, ontsnapte uit de gevangenis van Mechelen in een vuilniswagen, pleegde geweldsdelicten, leeft het liefst in zijn eentje. Nu wil hij een nieuw leven beginnen. In het huis van Pepe, in alle rust veel geld verdienen.

Pepe wil naar Oostende. Hij kan in dit huis niet meer wonen, na de dood van zijn zoon. En het is hem ook veel te rustig hier, op het Vlaamse platteland. “Daar word ik depressief van”.

Ben jij niet stiekem de ideale Belg, vragen we. Vlaming en Waal, Nederlandstalig en Franstalig. Een huis op de taalgrens. Pepe haalt zijn schouders op. “Ik ben in mijn leven maar één keer voor Vlaming aangezien. Ik word de Indiaan genoemd.” De Indiaan van Sint-Pieters-Kapelle. Deze nacht slapen we in zijn bed. Hij staat erop. Zelf valt hij ‘s ochtends om zeven uur in slaap. Op de bank, naast een foto van Herman Brood en een gordijn van Che Guevarra en Etienne.

Uit veiligheidsoverwegingen hebben we de namen in dit stuk toch maar gefingeerd.

In Limburg

Etappe 1: Het achtste wereldwonder van Steve Stunt

Route: Brussel-Rijkhoven-Diepenbeek-Helchteren-Hakendover-Brussel
Totale afstand: ca. 260 kilometer
Parcours: vlak (met kasseien en modder) en heuvelachtig

Limburg is een provincie die altijd een vreemde maar magische aantrekkingskracht op mij heeft gehad. Ik wilde er altijd heen, maar eenmaal ik er was, wilde ik meteen ook weer weg. In Nederlands Limburg heb ik veel tijd doorgebracht, eerst vooral bij mijn grootouders in Weert; later woonde ik zelfs vier jaar in Roermond. Prachtig en Bourgondisch maar tegelijkertijd bekrompen en gesloten. Belgisch Limburg ken ik nauwelijks – met mijn grootouders gingen we er wel eens heen, maar dan was de grens vooral spannend en de bakker nog beter dan in het noorden. Verder leek er weinig te veranderen.

Ik bel Steve Stevaert, gouverneur annex verkoper van Limburg. ‘Je gaat fietsen door Limburg? Er is geen betere keuze denkbaar want ons fietsnetwerk wordt ook wel het achtste wereldwonder genoemd!’ De vlaai, de koffie, het landschap, de mensen: het houdt niet op. Allemaal geweldig. Absurde maar interessante ideeën van Steve Stunt zoals het gratis openbaar vervoer en de ‘Groot-Limburgse gedachte’ zijn ook in Nederland niet onopgemerkt gebleven. Daarom wil ik van de gouverneur weten welke plaats ik in Limburg absoluut niet mag overslaan. Als een echte Vlaming hoeft Stevaert niet lang na te denken: ‘Ga naar mijn geboortedorp Rijkhoven,’ zegt de oud-kroegbaas. ‘En bezoek ook naar ons prachtige kasteel Alden Biesen.’

Ik stap op de fiets en laat Brussel achter me. Na kilometers ploeteren op kasseien en door de Vlaams-Brabantse modder rijd ik Limburg binnen. Een ware opluchting: het landschap begint prachtig te glooien en het asfalt onder mijn wielen voelt als fluweel. Het achtste wereldwonder van Steve blijkt te bestaan, want zo heerlijk heb ik zelden de pedalen voortbewogen.

In de loop van de middag nader ik mijn eindbestemming en wordt mijn toeristenhart gevuld door de schoonheid van Kasteel Alden Biesen en zijn mooie tuinen. Dan daal ik af naar Rijkhoven. Eenmaal beneden slaat de schrik mij om het hart. Is dit alles? Moest ik van de gouverneur naar dit troosteloze forenzendorp onder de rook van Bilzen?

In Rijkhoven heeft de bouwlust van de Vlaming welig getierd. Het is een ratjetoe van stijlen en stenen. Mooi is het zelden. Een jonge dertiger is zojuist bevallen van een berg bakstenen die hij gerangschikt heeft tot een enorm huis met maar liefst vier etages. ‘Gebouwd voor het leven,’ laat hij trots weten. ‘Ik hoef niet weg uit Rijkhoven, het leven is goed hier.’ De stevige doe-het-zelver heeft niet veel op met zijn beroemde plaatsgenoot. ‘Ach, Steve Stevaert. Daar word ik niet warm of koud van. Maar wist je dat dit dorp maarliefst vier profrenners heeft voortgebracht?’

Ook het hart van meneer Reynders (geen familie van) begint niet sneller te kloppen bij het horen van de naam Stevaert. Wel beaamt hij de regionale benadering van de gouverneur. ‘Wij Limburgers zijn altijd een beetje op onszelf geweest. Van 980 tot 1795 vormden wij samen met Nederlands Limburg en Luik een zelfstandig prinsbisdom,’ vertelt de geboren Rijkhovenaar. ‘Zevenhonderd jaar onafhankelijkheid kun je niet zomaar uitwissen. Daarom zijn wij soms wat eigenwijs en hebben wij niet altijd veel op met de rest van het land.’

Nooit trots op woorden of gedachten maar fier op zichtbare resultaten, een eigen huis, een goede maaltijd of hard fietsen. En dat houden ze het liefst voor zichzelf. Niet te veel woorden en uiterlijk vertoon. De Limburger regelt zijn zaakjes en is tevreden.

De volgende dag fiets ik verder en passeer ik Diepenbeek. De kleine universiteitsstad is helemaal in de zwang van de jaarlijkse fietshappening.  Jong maar vooral oud heeft massaal de tweewieler van stal gehaald voor een rondje Midden-Limburg.  ‘Steve Stevaert?’ verzucht vrijwilligster Marjan Vranken. ‘Moet je net mij hebben, ik ben een echte christendemocraat. Ik vind dat hij vaak domme ideeën heeft, maar hij kan ze geweldig verkopen. Maar dat is niet genoeg. Gelukkig denk ik dat de PR-machine van Stevaert zo langzamerhand is uitgewerkt.

De PR-machine van Stevaert uitgewerkt? Niet in het gehucht Wulmersum in de buurt Tienen, op de terugweg in Vlaams-Brabant. Daar trekt een sprookjesachtige wit-blauw huis meteen mijn aandacht. ‘Wie als vriend hier binnengaat, komt nooit te vroeg maar steeds te laat’, meldt het bordje boven de deur. Ik klop aan en de vijfenzeventig jaar oude Teerza doet open. Enkele minuten later zit ik met haar aan het diner.

Teerza doet mij denken aan mijn Limburgse grootmoeder. Ze is hartelijk, gastvrij en geïnteresseerd. Ze blijkt ook veel te hebben met de provincie van het bronsgroen eikenhout. ‘Ik ga zelf veel liever naar Sint- Truiden dan naar Tienen. In Limburg hebben ze meer stijl, betere winkels en het is er zo mooi,’ laat de vrouw met glimmende oogjes weten. ‘En Steve Stevaert, dat vind ik fantastische man, wat die allemaal voor elkaar krijgt! Hadden wij er maar zo een.’

De oude stijlvolle dame legt daarmee meteen haar vinger op mijn zwakke Limburgse plek. De twee provincies zijn als een jaloersmakend warm bad. Het lijkt wel of ze beter kunnen feesten en genieten dan de rest van Lage landen.

Moet ik terug? Ik twijfel heel even, maar weet dan meteen dat het nooit tot een echte relatie tussen mij en de Limburg kan komen. De bewoners zijn gastvrij en vriendelijk maar het riekt er altijd naar een soort valse bescheidenheid. Ze hebben het goed en alle reden om trots te zijn, maar ze houden het liever achter een dik gordijn voor zichzelf. Ik mis altijd iets flamboyants en ambitieus, en dat is wat ik zo bewonder aan Steve Stevaert, zo on-Limburgs Limburgs.

Wat als Belgie Barst…

Deze foto maakten wij aan het begin van onze eerste etappe naar Limburg in een dorp bij Leuven. Als het land barst, zoals sommigen willen, zal de taalgrens voor problemen gaan zorgen. Er zijn daar nogal wat gemeenten met een gemengde Waals-Vlaamse bevolking. Hier worden die plaatsen ‘faciliteitengemeenten’ genoemd. Dat houdt in dat de minderheidsgroep recht heeft op onderwijs en een verenigingsleven in de eigen taal. Wij gaan de komende dagen onder Brussel, op de taalgrens kijken of er al barsten te vinden zijn. Volgende week meer!

Lees ook mijn column op de site van De Buren.

Integreren op de fiets

NOS sportverslaggever Gio Lippens gaf mij vorig jaar nog een tip waar ik de afgelopen dagen vaak aan moest denken. ‘De beste manier om in dat land te integreren is door te gaan fietsen,’ zei hij. ‘Sindsdien is het contact met mijn Vlaamse collega’s stukken beter. In België, en zeker in Vlaanderen, dwing je respect af op de fiets, zeker als het bergop gaat.’

Hoe belangrijk recreatief fietsen in dit land is vonden wij afgelopen week ook uit. Het leek wel alsof heel Limburg op de fiets zat. Fietsende kwebbeltantes, oude heren die hun bierbuik in een strak wielerpakje geperst hadden en fanatieke jonkies die elkaar tot grote snelheden dwongen.

Op de weg van Rijkhoven naar het noorden van Limburg passeerden we het universiteitsstadje Diepenbeek. Daar vielen we met onze neus in boter van de jaarlijkse Ter Dolen fietshappening. Duizenden Limburgers fietsen ieder jaar een rondje voor het goede doel. Niet dat het alleen om fietsen ging. Het bier (al in ochtend voor de start), het weerzien van oude bekenden en het Italiaanse feest met heuvels pasta en een B-artiest waren minstens zo belangrijk.

Wij reden een stuk van de route en schoven s’avonds aan bij het diner. Gio kreeg helemaal gelijk, eindelijk horen we er een beetje bij. Zeker omdat wij helemaal van Brussel waren komen fietsen. Talloze Limburgers in Helchteren gaven ons tips over bandenspanning, mooie routes en abdijbier. We werden met open armen ontvangen en mochten bij de lokale Chiro (Vlaams voor padvinders) onze tent opzetten.

Op de terugweg naar Brussel dwong een heuse Vlaamse kermiskoers ons in het Vlaams-Brabantse Binden tot afstappen. In de koers opvallend veel ambulances. Is koersen echt zo gevaarlijk? Een toeschouwer aan de kant moet lachen over onze vraag. ‘Dit is een jaarlijkse koers voor medici en paramedici vandaar dat de volgwagens ambulances zijn,’ zegt hij. En dan trots: ‘Mijn zoon rijdt ook mee in dat Raboshirt. Hij is al jaren verzorger bij de Nederlandse wielerploeg.’ Dat is dus fietsen in Vlaanderen, iedere beroepsgroep zijn eigen koers met een minikermis erbij.

Pukkelig festival

In 1991, 1992 en 1993 was ik (Pieter-Bas) op Pukkelpop. Tijdens mijn eerste keer was ik, als een van de weinigen, getuigen van een optreden van Nirvana. Een guizig klinkend bandje dat enkele weken later zou doorbreken. De hele dag verbaasde ik mij toen over de vele mannen met lang zwart haar, een zonnebril, strakke jeans en een spijkerjasje op het veld. Was dit Belgische mode? Later op die avond kreeg ik het antwoord, al deze bezoekers waren look-a-likes van een van de beroemdste punkbands allertijden: The Ramones. Ik had nog nooit van ze gehoord en luisterde vol verbazing naar de tientallen nummers die slechts twee minuten duurden en allemaal op elkaar leken.
Dit weekend werd het festival voor de 23ste keer gehouden. Heel lang hebben wij getwijfeld of we er toch niet even naar toe zouden gaan. Uiteindelijk lukte het niet, maar de drang was zo groot dat we er toch even langs reden om de sfeer te proeven. Er is veel veranderd sinds begin jaren negentig, zo zijn er veel meer podia en duurt het festival drie dagen in plaats van een. Maar veel was nog hetzelfde: de mensen massa, het gesleep met blikjes bier en de pukkeligheid van de bezoekers. Dat laatste kan ik me niet echt meer herinneren maar het publiek was nauwelijks ouder dan achttien.

Bij oma thuis in Wulmersum

Hoe gastvrij zijn Belgen? Dat onderzoeken de twee fietsende reporters van Leven op Pluto deze maand. Ons dogma: aanbellen bij een willekeurige Belg en vragen om een slaapplaats. Teerza (75) uit een boerengehucht onder de rook van Tienen in Vlaams Brabant was een van onze slachtoffers.

Eigenlijk vraagt ze erom door ons te worden lastiggevallen. Boven de deur van het vriendelijk ogende, blauw-witte huis hangt een bordje: “Wie als vriend hier binnengaat komt nooit te vroeg maar steeds te laat.” Wij kijken op ons klokje: negen uur ‘s avonds, het kan nog net. We kloppen aan – madame heeft geen deurbel – en even later lachen twee glimmende blauwe oogjes onder prachtig opgestoken haar ons toe. “Blijven logeren? Daar heb ik geen problemen mee. Ik ben al zeventien jaar alleen.” We komen als geroepen.

Brood, kaas, bier en dan wijn met chocola en koekjes. En twee zachte bedden, schoon en opgemaakt. Jacqueline legt ons volledig in de watten en vertelt haar verhaal.

Teerza werd als buitenechtelijk kind een dorp verderop geboren. Ze groeide op bij haar grootmoeder, trouwde en kreeg twee kinderen. Haar man begon als zovelen in deze streek als arbeider in de suikerfabriek van Tienen en schopte het door avondstudie uiteindelijk tot ingenieur, bij dezelfde fabriek dat wel. Helaas eiste het zware werk met bieten te snel zijn tol. Nu zit de weduwe al zeventien alleen in dit te grote huis. Vol bloemen, spreuken, kaarsen, foto’s, katholieke en andere (bij)gelovige prullaria.

Niet dat Teerza echt eenzaam is. Het hele dorp komt hier over de vloer en elke maand haar twee kleinkinderen uit Gent. En nu twee rare Nederlanders die van plan zijn om Belgie te veroveren. ‘Mijn zoon zal dit fantastisch vinden!’ roept ze opgetogen. ‘Hij neemt nog steeds vrienden mee hier naartoe, die slapen dan op zolder.’ In het huis van Jacqueline zijn in totaal tien bedden beschikbaar voor loge’s.

Dankzij de brandende postzegel in haar televisiekamer is de dame op leeftijd erg goed op de hoogte van de actualiteit. Ook de toestand in Belgie baart haar zorgen: ‘Ik begrijp niet dat ze al zo lang geen oplossing hebben kunnen vinden,’ vertelt ze met een bezorgd gezicht. ‘De taalgrens is niet ver van hier en ik heb helemaal geen problemen met de Walen, ze komen hier ook vaak in het dorp.’

Teerza, die al haar hele leven in het dorp woont, is een lokale bekendheid zo blijkt. ‘Ach, ik ben eigenlijk overal wel bij. In het cafe, bij de damesclub en bij de jaarlijkse paardenprocessie natuurlijk. Enigzins verbaasd kijken we haar aan: een paardenprocessie? ‘Hebben jullie daar nog nooit van gehoord? Die is heel beroemd hoor!’ laat ze ons weten. ‘Er komen dan ook Nederlanders naar dit dorp om hun viervoeter te laten zegenen.’

We beloven dat we haar en het dorp nooit meer zullen vergeten en vragen ons af of we onze fietsen in Vlaanderen ook ergens kunnen laten zegenen. Na een nacht in een heerlijk bed stappen we de volgende dag weer op de fiets.

Als Teerza ons nog iets lekkers toestopt voor onderweg, krijgen we helemaal het gevoel weer even bij oma te zijn geweest. We wensen elkaar alle goeds en wij beloven haar hard te zullen trappen, over de Vlaamse heuvels, op weg naar een nieuw Belgisch avontuur.

De naam en woonplaats van Teerza zijn op verzoek van familie gefingeerd

Heilig Helshoven

Maria ging, hoe kan het ook anders, net als Jezus naar hemel. Zij vertrok zo’n slordige twee millenia geleden op 15 augustus. De katholieken vieren dat nog steeds tijdens Maria-ten-hemelopneming, in het ooit zo Roomse België is dit moment nog steeds goed voor een nationale feestdag. Iedereen is vrij en op verschillende plaatsen is er een speciale mis. Wij stuitten in het plaatsje Limburgse dorp Helshoven op een heuse openluchtmis.

Zoals op deze foto goed te zien is heeft de Roomse kerk in dit land eenzelfde probleem als in Nederland: de enorme vergrijzing. Op het veld waren nauwelijks mensen onder de vijfenvijftig te vinden. Waar zijn de jongeren? Wij hebben wel een vermoeden: die zitten waarschijnlijk op Pukkelpop waar vandaag de metalgoden van Metallica optreden.

Zelfs voor een kleine mini-processie hebben ze in Vlaanderen geen respect meer, de auto’s gierden rakelings langs dit plechtige rijtje, met wapperende pijen tot gevolg. Dit alles gebeurde onder het wakend oog van een bronzen Karol Józef Wojtyła (aka Johannes Paulus II).