Columneren over Voetbal

Soms moet je lang wachten tot een droom uitkomt, een enkele keer mag je iets doen dat duizenden wel zouden willen maar jij niet perse. Een paar dagen geleden ging mijn telefoon, Ann De Craemer van de Buren vroeg mij of ik een voetbalcolumn wilde schrijven. Een wat? Juist, ik met mijn twee linker benen en direct invallende slaap bij het zien van de mat. Na Jan Mulder, Henk Spaan en Hugo Borst is hier: Pieter-Bas van Wiechen. Niet lachen…. lezen:

Fietsend door de Brusselse binnenstad stuit ik ineens op een grote Nederlandse vlag. Hij hangt pontificaal op de gevel van de Dolle Mol, het linkse café waar soms (vermeende) terroristen vergaderen. Getriggerd door dit vreemde nationalistische symbool op een anarchistische plek in België ga ik naar binnen.

Omdat onze Rode Duivels niet eens weten hoe een voetbal eruit ziet, zijn wij voor Nederland,’ vertelt Jan Bucquoy, zo ongeveer de laatst overgebleven Belgicist. ‘Pas als hier Vlamingen met Groot-Nederlandse Gedachten komen vergaderen, dan is die vlag meteen weg en zijn we voor Frankrijk.’

In hetzelfde lokaal waar linkse rakkers uit de stad hun overleg pleegden, zitten een Nederlander, een Vlaamse en een Franstalige Brusselaar naar de openingswedstrijd te kijken. Zoals altijd begin ik al te gapen voor de bal drie keer rond is gegaan. Ik stel mijn omstanders uit onwetendheid een paar domme vragen over voetbal en probeer daarna met man en macht het gespreksonderwerp te veranderen. Echt, mijn spanningsboog bij dit spelletje is meestal maar drie minuten.

Twee dagen later word ik onrustig wakker: het Nederlandse elftal moet spelen en ik ben zowaar zenuwachtig voor dit potje voetballen. Iets in mij zegt dat ik die wedstrijd moet zien. De vraag is alleen waar in het grote Brussel ik die wedstrijd ga aanschouwen. In een Italiaanse bar in het kader van de Europese integratie? Misschien is het te riskant om vandaag als Nederlander tussen die temperamentvolle zuiderlingen te gaan staan.

Een vriendje uit het Nederlandse circuit weet me te vertellen dat er in een café naast de beurs vanavond ‘wat Nederlanders’ zitten. Ik fiets er heen en stuit op een volledig oranje café vol luidruchtige Nederlanders. “Heb je even voor mij?”, schalt hard over de Auguste Orststraat.

Waar begin ik aan? Wil ik dit echt? In Amsterdam zou je me nooit op zo’n plek vinden. Ik wurm me door de menigte naar binnen. Tientallen Nederlandse Eurocraten en lobbyisten hebben hun driedelige pak verruild voor een brulshirt met leeuwenmuts terwijl enkele dames erbij lopen in Nederlandse klederdracht met oranje vlechten. Een man met een oranje kip op zijn hoofd kijkt me glazig aan. ‘Beroepsdeformatie,’ laat hij me weten. ‘Ik werk voor de pluimveesector.’

De meeste aanwezigen verraden hun liberale politieke afkomst door petjes in de partijkleuren blauw en oranje. Het partijlogo staat bescheiden achterop terwijl voorop fier het woord ‘Coach’ staat. Op de klep laten ze weten dat zij ‘Proud of Europe’ zijn. Deze sneer naar hun afvallige partijgenoot Rita Verdonk komt vanavond niet echt uit de verf, want de liberalen zijn vanavond vooral heel Trots op Holland met Andre Hazes, Guus Meeuwis en een nimmer aflatende stroom bitterballen.

Als onze jongens dan eindelijk het veld betreden, klinkt er een oorverdovend gejuich.  In het begin praat ik erdoorheen, maar als Ruud van Nistelrooy zijn eerste goal scoort kijk ik vol ongeloof naar het scherm. Vijf minuten later scoort Wesley Sneijder de tweede. Ik ga op in mijn omgeving en ik dans, schreeuw en zing. Ook schrik ik me rot als de bal bijna Edwin van der Sar dreigt te passeren. Jaaaaa! 3-0.

Begeleid door ritmisch geklap scandeert de hele kroeg ‘Holland, Holland, Holland’ en ik doe mee, om het hardst. We worden Europees kampioen! Olé! Op straat kijken voorbijgangers zo nu en dan met een verbaasde gezichten naar het deinende Brusselse oranje legioen. ‘Lompe Ollanders…’ hoor je ze denken, maar mij kan het niets schelen. Vandaag ben ik vreselijk trots op Nederland.

Enigszins geschrokken van mijn nationalistische uitingen pak ik de volgende dag mijn biezen om Brussel voor twee weken te verruilen voor Terschelling. Het Nederlandse waddeneiland staat deze week in het teken van het lokatietheaterfestival Oerol. Cultuur met een grote C. Maar zelfs daar heerst het oranjevirus.

Vrijdag speelt Nederland tegen Frankrijk. De hele eerste helft zit ik veilig in een voorstelling. Na afloop van Pax Islamica IV: Sawm in een Arabische tent midden in het bos gaan bijna alle bezoekers en spelers hals over kop naar een café voor de wedstrijd. Ik ga mee. Binnen in Cafe Zeezicht verdringen eilanders en festivalgangers zich eensgezind voor het scherm.

Vol goede moed probeer ik de wedstrijd te volgen. Maar het lukt niet echt, ik begin al snel te gapen en ik stoor me aan het lompe geschreeuw, het nationalistisch vertoon en de domme liedjes. Ik zoek afleiding en vind gelukkig snel een stel Belgen die vol ongeloof naar de menigte staan te kijken. Ze zijn van het straattheatergezelschap Guardia Flamenco. We drinken een jutter en praten al snel niet meer over voetbal maar over theater. Gelukkig maar.

Nederland-Roemenië  laat ik aan me voorbij gaan en de kwartfinale zal me worst zijn. Maar als we de halve finale halen, zal ik me weer vol verve in de oranje massa storten. Thuis in Brussel, want Trots op Nederland ben ik het liefste in het buitenland.