Tagarchief: Vrij Nederland

Robbedoes in VN

Deze week in Vrij Nederland een artikel over het beroemde stripblad Robbedoes/ Spirou. Het blad dat striphelden als Lucky Luke, Guust Flater en De Smurfen liet ontstaan is deze week echt zeventig geworden. Reden genoeg voor een feestje.

In het stuk een bezoek aan de redactie anno 2008, een interview met oud-hoofdredacteur Thierry Martens en een overzicht van de roemrijke geschiedenis van het blad.

Koop hem nu, hij ligt twee weken in de schappen!

In het Brusselse stripmuseum is nu overigens een tentoonstelling over Spirou/Robbedoes.

Hier rechts overigens een afbeelding van Marsipulami, het beest uit Franquins beroemde bos Palombie.

Grenzen van de Grap

Komt een Marokkaan bij de hemel. Hij klopt aan, de deur gaat open. Daar staat Petrus.

‘Zo, mijn zoon,’ zegt Petrus. ‘Kom binnen.’

‘Nee,’ zegt de Marokkaan. ‘Ik moet naar Allah.’

‘Allah? Dat is hierboven.’

De Marokkaan klimt omhoog. Daar staat een vrouw: Maria. Ook Maria zegt: ‘Zoon, kom binnen.’

‘Sorry, mevrouw,’ zegt de Marokkaan. ‘U begrijpt het niet. Ik ben op zoek naar Allah.’

Najib Amhali in het jaar 2000 tijdens zijn theatershow Veni Vidi Vici

‘Allard?’

‘Nee, Allah.’

‘O, Allah,’ zegt Maria. ‘Die zit hierboven.’

De Marokkaan klimt verder omhoog. Hij komt bij een enorme deur. Achter de deur staat een hele grote man.

‘Dag mijn zoon,’ zegt de man, ‘ik ben God. Kom binnen.’

De Marokkaan ontploft bijna.

‘Is het nou nóg niet duidelijk? Ik wil naar Allah!’

‘Ja ja,’ zegt God. ‘Kom eerst even binnen.’ Hij wenkt naar achteren: ‘Allah, twee kopjes koffie alsjeblieft.’

Met deze grap opende de Marokkaans-Nederlandse cabaretier Najib Amhali in het jaar 2000 zijn tweede theatershow Veni Vidi Vici. Nu, zes jaar later, zit hij in de keuken van zijn impresariaat in het Amsterdamse Osdorp, en zegt hij dat hij zo’n grap vandaag de dag niet zo snel meer zou maken. ‘Ik probeer als cabaretier tegenwoordig verder te kijken. Marokkaan-zijn is niet meer het enige dat me bezighoudt in mijn shows.’ Amhali vindt ook dat het klimaat in de theaterzaal heftiger is geworden. Steeds vaker, vertelt hij, komen er na afloop van zijn shows Marokkaanse mennekes op hem af die hem op lichtelijk agressieve toon vragen waarom hij de spot met hen drijft.

Door: Thijs Niemantverdriet & Pieter-Bas van Wiechen

Wat kan er nog gezegd worden op de Nederlandse podia? De vrijheid van vaderlandse humoristen lijkt de afgelopen tijd haar grens te hebben bereikt. Drie jaar geleden riep premier Balkenende ‘s lands cabaretiers op om terughoudend te zijn met satire op het koningshuis. Na de rellen over de Deense spotprenten, in januari van dit jaar, bekende een aantal toonaangevende Nederlandse cartoonisten in de Volkskrant aan zelfcensuur te doen wanneer het de profeet Mohammed betrof. En vorige maand luidden drie kunstenaars in een manifest de noodklok over het artistieke recht tot kritiseren, beledigen en spotten. Dat recht, zo schreven filmmaker Eddy Terstall en cabaretiers Hans Teeuwen en Diederik Ebbinge, staat de laatste tijd onder druk. ‘Spot en kritiek zijn de smeermiddelen van de maatschappij, juist omdat het stenen des aanstoots zijn, omdat ze wrijving veroorzaken. Spot en kritiek zijn noodzakelijk in een vrije, dynamische samenleving.’ In NRC Handelsblad gaf Hans Teeuwen een sprekend voorbeeld van wat volgens hem op dit moment niet kan in Nederland: ‘Een islamversie van een film als Monthy Pythons Life of Brian zou ik in het huidige klimaat niet durven draaien. Dat is smeken om een fatwa.’

Vrij Nederland sprak zeven cabaretiers en stand-up comedians, allochtoon én autochtoon, over de grenzen van de grap. Aan de ene kant zijn ze blij dat het sinds 11 september, Fortuyn, Van Gogh en de cartoonrellen weer ergens over gaat op het podium. Zoals Theo Maassen zegt: ‘Je kunt je weer ergens druk over maken. Het zijn prachtige tijden voor de cabaretisten.’ Aan de andere kant worstelen ze met het verharde klimaat in Nederland. Spelen met vooroordelen over negers? Grappen maken over de islam? Spotten met joodse gevoeligheden? Ze doen het allemaal, omdat ze vinden dat het moet. Maar de komedianten zijn zich bewust van de beladenheid van de onderwerpen. ‘Meestal geldt voor mij: hoe harder de grap, hoe beter,’ zegt Najib Amhali. ‘Maar grappen over de islam liggen gevoelig bij moslims, ook al ben ik er zelf een. Het is telkens de vraag hoe ver ik kan gaan.’

Tante Lien

De jodenmoppen van Max Tailleur, de Indische Tante Lien van Wieteke van Dort en de voorbeeldig Nederlands sprekende Turk Mehmet van Koot en Bie: daartoe beperkte de etnische grappenmakerij zich in Nederland tot in de jaren negentig. Buitenlanders, immigratie en vreemde geloven waren op de Nederlandse podia decennialang geen issue, en als ze al ter sprake kwamen, gebeurde dat binnen de strenge grenzen van de politieke correctheid. Terwijl Amerikaanse comedians als Lenny Bruce, Don Rickles en Richard Pryor in de jaren zeventig snoeiharde grappen maakten over ras en geloof, dichtte Nederlands meest vooraanstaande cabaretgezelschap Don Quishocking over de burgerman, de pil en de angst voor de Russen.

 

‘Humor over etnische verschillen werd gezien als stereotyperend, en dat kon niet volgens de heersende maatschappelijke norm,’ zegt antropologe Giselinde Kuipers, die al tien jaar onderzoek doet naar de grappencultuur in Nederland. ‘In de privésfeer zijn altijd grappen over minderheden gemaakt, maar op het podium was het not done.’ Als er in Nederland al de spot werd gedreven met iemands afkomst, vertelt Kuipers, dan gebeurde dat op een indirecte manier. ‘De cabaretier verschool zich achter een dom, xenofobisch typetje. Of hij maakte het publiek uit voor racist wanneer het lachte om een harde grap over vreemdelingen, zoals bij Freek de Jonge.’

Pas in de loop van de jaren negentig wierp cabaretesk Nederland de zelfcensuur van zich af. Terwijl de multiculturele samenleving voor de meeste Nederlanders een dagelijkse realiteit begon te worden, kwam een eerste generatie allochtone cabaretiers op. In 1998 won Najib Amhali het Leids Cabaret Festival met een show waarvan de openingszin inmiddels legendarisch is geworden: ‘Als Marokkaan kom ik graag bij de mensen thuis.’ Ondertussen verbouwden jonge honden als Hans Teeuwen en Theo Maassen het apolitieke koldercabaret van de jaren tachtig tot een snelle, brutale en harde variant, waarin migranten voor het eerst een rol gingen spelen. En, niet te vergeten, het Amerikaanse genre van de stand-up comedy bereikte Nederland. ‘Grappen over je eigen afkomst en die van anderen spelen een belangrijke rol bij het stand ­uppen,’ zegt Giselinde Kuipers. ‘Als je maar tien minuten de tijd hebt om een rumoerig café aan het lachen te krijgen, is het een dankbaar onderwerp.’

Thuispubliek

Een zaterdagavond in café Toomler. Het thuishonk van de Comedytrain in de kelder van het Amsterdamse Hilton-hotel is tot de nok toe gevuld. De eerste van twee avondvoorstellingen is zojuist begonnen. Het recept is beproefd: vijf stand-up comedians die ieder een kwartier de zaal vermaken, aan elkaar gekletst door een master of ceremony. Jan Jaap van der Wal bijt de spits af. ‘Ik las in de krant dat zestig procent van de mensen in Nederland vindt dat ze niet alles meer in het openbaar kunnen zeggen,’ zegt hij tegen het publiek. ‘Toen dacht ik: dat is precies het aantal mensen dat niets te melden heeft.’

Als er één gezelschap is dat de etnische grap uit de taboesfeer heeft gehaald, dan is het de Comedytrain. Al zestien jaar lang biedt café Toomler een podium aan komieken met verschillende achtergronden. In de stal van de Comedytrain zitten vier Surinamers, twee joden, één Marokkaan, een halve Spanjaard en een handvol Brabanders en Friezen. Er wordt voortdurend de spot gedreven met de eigen afkomst. ‘Laatst vroeg iemand of ik mijn kind zou laten besnijden,’ grapt de joodse comedian Micha Wertheim. ‘Toen zei ik: nou, als het een jongen is, dan niet.’ En de pikzwarte Surinamer Murth Mossel, die de avond afsluit, zegt tegen een verbaasd kijkende vrouw op de eerste rij: ‘Je trekt een gezicht van: is zwarte Piet al zó vroeg in het land dit jaar?’

Hoe ervaren de multiculturele grappenmakers van de Comedytrain het klimaat in Nederland? We spreken Murth Mossel aan dezelfde Osdorpse keukentafel als Najib Amhali. Hij is een en al urban-cultuur: opgegroeid in de Amsterdamse Bijlmer, verslingerd aan hiphop en r&b, én een soepele comedian. ‘Na 11 september,’ vertelt hij, ‘heb ik al mijn optredens afgezegd. Ik wist een week lang niet wat ik op het podium te zoeken had. Na de moord op Van Gogh had ik juist een enorme drang om te spelen. Ik moest en zou dat fucking podium op.’ Bij de Comedytrain, zegt Mossel, merkt hij niet dat het publiek minder kan hebben. ‘Op zich spelen we in Toomler voor een thuispubliek. De mensen komen speciaal om ons te zien. Je kunt ervan uitgaan dat ze fan zijn.’ Maar tijdens optredens op middelbare scholen bespeurt Mossel wel iets bij de jongste generatie allochtonen. ‘Die zijn veel harder. Najib en ik begrijpen elkaar goed omdat we allebei tweedegeneratie-immigranten zijn, we benadrukken de overeenkomsten. Die jonge jongens zoeken veel sneller de verschillen op.’

Luchtige holocaustconference

Een paar dagen eerder treffen we de oprichter van de Comedytrain, Raoul Heertje. Plaats van samenkomst: de lobby van een deftig hotel in Amsterdam-Zuid. De comedian lurkt gretig aan een fles spuitwater en oogt energiek. Sinds hij enkele maanden geleden de artistieke leiding van de Comedytrain heeft overgedragen aan Jan Jaap van der Wal, werkt hij druk aan nieuw materiaal. Een luchtige conference over de holocaust bijvoorbeeld, geïnspireerd door een bezoek aan Berlijn met zijn zevenjarige dochter.

In eerste instantie is Heertje stellig. ‘In Nederland,’ zegt hij, ‘kun je op het podium alles zeggen wat je wilt.’ Heertje, die als een van de weinige Nederlandse comedians regelmatig optreedt in het buitenland, vergelijkt de Nederlandse grapcultuur graag met die van over de grenzen. In Engeland, humornatie bij uitstek, treft hij doorgaans een veel gevoeliger publiek dan in Nederland. ‘Engelsen nemen alles heel persoonlijk,’ zegt hij. ‘Als ik een grap maak over hun leger, roept iemand uit de zaal heel serieus: “We won the Second World War!”‘

Begin dit jaar trad Heertje op in het Amerikaanse Atlanta. Daar stuitte hij op heuse no go areas. Een grap over het verbranden van Amerikaanse vlaggen? Afkeurende geluiden uit de zaal. Een opmerking naar aanleiding van de orkaan Katrina? Doodse stilte. ‘Ik zei tegen de zaal: “George Bush geeft helemaal niets om die arme negers in New Orleans. Nederland moet gewoon de Verenigde Staten binnenvallen om de democratie te herstellen.” Zagen ze de humor niet van in.’

Er gaat een tweede fles spuitwater open. Nu hij er wat langer over nadenkt, zegt Heertje, ervaart hij wel degelijk beperkingen. Ja, hij houdt rekening met de gevoeligheden van bepaalde groepen. Ja, de dreiging van geweld spookt door zijn hoofd als hij grappen verzint. Ja, je zou het zelfcensuur kunnen noemen. Maar of het met 11 september, Fortuyn en Van Gogh te maken heeft? ‘Het gaat niet alleen om onverdraagzame moslims. Er is al veel langer iets aan de hand in Nederland. Neem de Hells Angels die Barend en Van Dorp een pak rammel verkochten, waarna ze op televisie hun excuses aanboden. Dat was al ver vóór de moord op Theo van Gogh. De Nederlandse overheid is niet geïnteresseerd in het beschermen van haar burgers. Dus kijk ik wel uit met foute grappen over die lui.’

De spiegel gaat rond

Sinds Van Gogh, vindt Heertje, heerst er onder sommige cabaretiers een sfeertje van: kijk mij eens verschrikkelijke dingen zeggen. ‘Dat vind ik totaal niet interessant. Als je een keer per ongeluk tegen een grens oploopt – dat is spannend. Maar moedwillig zo veel mogelijk erge dingen roepen, vind ik volstrekt debiel.’ Uiteindelijk gaat het hem niet om de grap, maar om de context waarin de grap wordt gemaakt. ‘Laatst speelde ik in Toomler na Murth Mossel. “Wat een knappe neger toch, die Murth,” zei ik tegen het publiek. “En zo gespierd. Is dat katoenplukken toch nog ergens goed voor geweest!” Als ik die opmerking maak tegenover een willekeurige neger op het Leidseplein, dan krijg ik een klap op mijn bek. Als een Ku Klux Klan-lid het zegt, dan is hij een racist. Maar doet die zijn kap af en blijkt hij zelf een neger te zijn, dan is het weer een goede grap.’ Het lijkt logisch: negers mogen ongestraft grappen maken over negers, en joden over joden. Heertje: ‘Toch heb ik het juist vaak aan de stok met joden. In hun ogen hang ik toch een beetje de vuile was buiten. Je wordt geacht je aan een soort code te houden. De jodencode.’

Over veel zijn de Toomler-jongens het met elkaar eens. Ze hebben een gezamenlijke filosofie, praten in hetzelfde vocabulaire. Zo moet een grap ‘vilein’ zijn, en niet ‘plat’. En hij moet een ‘goede ingang’ hebben. Over etnische grappen kunnen ze kort en bondig zijn: die zijn hoogst noodzakelijk. Iedereen – neger, Turk, Marokkaan, jood, homo – komt vroeg of laat aan de beurt. ‘De spiegel gaat rond,’ noemen ze dat bij de Comedytrain.

De eensgezindheid bij Heertjes protégés is eerder uitzondering dan regel in cabaretland. Verreweg de meeste Nederlandse cabaretiers zijn eigenzinnige eenlingen: mannen en vrouwen die seizoen in, seizoen uit onverstoorbaar hun ding doen in de kleine zalen van het land. Zoals André Manuel. Op een vrijdagavond in september beklimt hij het kleine podium van het Werftheater in Utrecht voor de derde try-out van zijn voorstelling Burger. Hij is gehuld in een fanfarepak en lullig feesthoedje en steekt meteen van wal. ‘Ik heb niet zoveel met pedofielen. Ik heb meer met jonge kinderen.’ Wat volgt, is een onophoudelijke stroom grappen over Marokkanen, homo’s, de paus en de holocaust. Voorgelezen van een stapeltje A4’tjes, want Manuel (‘de Rita Verdonk van het Nederlandse cabaret, alleen dan wat vrouwelijker’) zit nog midden in het creatieve proces. Maar de toon van zijn programma is duidelijk: fulmineren, beledigen en trappen tegen alles wat los en vast zit. Of, zoals Raoul Heertje zou zeggen: kijk mij eens verschrikkelijke dingen zeggen.

Zo doet André Manuel uit Diepenheim, Twente, dat al vijftien jaar. Als enige cabaretier in Nederland probeert hij stelselmatig het publiek de gordijnen in te jagen met banale, racistische en vrouwonvriendelijke grappen. Provoceren is zijn levensdoel. Aan het eind van de jaren negentig maakte hij het programma Braaf, waarin hij fantaseerde hoe hij een dikke, lesbische negerin in een rolstoel aan zijn mes reeg. Het publiek verliet bij bosjes de zaal en Manuel werd het gesprek van de dag onder theaterdirecteuren.

Neerlands enige grenzeloze cabaretier is somber over zijn collega’s. ‘Er heerst angst onder artiesten,’ constateert hij eerder op de dag, gezeten aan de Utrechtse Oudegracht. ‘De afgelopen jaren is de stemming in Nederland behoorlijk veranderd. De cartoonist tekent anders, de filmer filmt anders. Dat geldt ook voor de theatermaker. Op de Nederlandse podia wordt nog steeds te weinig gezegd over de moord op Theo van Gogh.’ Terwijl veel ­theatermakers na 2 november 2004 hun toon matigden, besloot Manuel er juist een schepje bovenop te doen. ‘Humor moet ten koste gaan van iemand,’ hield hij in zijn voorstelling Lazarus het publiek voor, ‘anders is er geen ruk aan. Wel eens geprobeerd om een grap te maken zonder iemand te beledigen? Lukt niet!’

Maar zelfs bij een zelfverklaard taboebeslechter als André Manuel is een nieuw bewustzijn doorgebroken over de grenzen van de grap. Voor het eerst in zijn cabaretcarrière staat hij dit seizoen namelijk niet als zichzelf op het podium. In Burger speelt hij een personage: een fanfaremuzikant die het publiek toespreekt terwijl hij wacht op de komst van André Manuel. ‘Na negen voorstellingen wilde ik wel eens wat anders doen,’ legt hij uit. Maar hij heeft het typetje ook bedacht, geeft hij toe, om ‘nóg verder te kunnen gaan’: ‘Grappen maken als een rechts fanfaremannetje is een stuk minder gecompliceerd dan je voortdurend afvragen of het publiek je opmerkingen letterlijk neemt of niet.’

Beroepsprovocateur

Ook aan Theo Maassen kleeft het imago van een beroepsprovocateur. In de zomer van 2004, een paar maanden voor de moord op Theo van Gogh, nam de Eindhovense kleinkunstenaar een opmerkelijke cd-single op. Aanleiding: de arrestatie van een drietal Haagse jongens die Ayaan Hirsi Ali in een zogenaamde ‘diss-rap’ met de dood zouden hebben bedreigd. Nonsens, vond Maassen. In zijn nummer ‘Doodsbedreiging’ kondigde hij daarom aan een flink aantal Bekende Nederlanders over de kling te zullen jagen: ‘Allemaal de volle laag / het hele arsenaal / Barend en Van Dorp Jan Mulder en Van Gaal/ iedereen komt aan de beurt / want ik heb kogels zat / als ik de koningin was / koos ik het hazenpad.’

 

Maassen schreef het nummer destijds met een dikke vette knipoog. Maar de aanleiding was voor hem serieus: inbreuk op het vrije woord. Twee jaar later – en een hoop maatschappelijke onrust verder – zegt Theo Maassen: ‘Op het podium kan ik nog steeds alles zeggen wat ik wil. Maar dat betekent niet dat ik alles roep. Net als politici moeten cabaretiers op hun woorden passen. Wij hebben net zo goed de taak na te denken, de juiste woorden te kiezen en die in de juiste volgorde te zetten. Achter elke grap gaat bij mij een lange en zorgvuldige afweging schuil.’ Het is geen toeval dat Maassens naam niet onder het manifest van Hans Teeuwen en consorten staat. ‘Op zich ben ik het wel eens met de inhoud, maar echt noodzakelijk vind ik dat manifest niet. Misschien maak ik me gewoon minder zorgen dan Hans Teeuwen. Ik vind het ook een beetje grachtengordelgedoe, dat geroep dat je niet iedereen kunt beledigen. Sommige dingen zijn gewoon niet verstandig om te doen. Ik zou bijvoorbeeld nooit een act doen waarin ik mijn kont afveeg met pagina’s uit de koran in plaats van met wc-papier. Daar krijg je geheid gezeik mee.’

Ten tijde van de moord op Theo van Gogh was Maassen bezig met de try-outs van zijn theaterprogramma Tegen beter weten in. Wie dezer dagen het eindresultaat ziet, voelt nog steeds de extreme omstandigheden van die novembermaand resoneren. In een lange reeks knetterharde grappen neemt Maassen de multiculturele samenleving op de hak. ‘Hoofddoekjes, ik weet niet waarom, maar ik vind het wel wat hebben,’ flapt hij er ergens achteloos uit, ‘en je hebt tenminste altijd iets om je lul mee af te vegen.’ Waarom zo’n opmerking wel, en een scène met de koran niet? Maassen: ‘Het gaat erom wat ik spontaan verzin en wat niet. Die grap over hoofddoekjes bedacht ik toen ik in de krant las dat gordijnen in hotelkamers vaak vol zitten met sperma. Maar zo’n koran-act, die komt alleen maar in me op als ik ga zitten bedenken: wat kan écht niet?’

Na vijftien jaar optreden weet Theo Maassen precies wanneer een ironisch bedoelde grap over buitenlanders niet als zodanig herkend wordt. ‘Je hoort het aan het applaus, aan de manier waarop mensen joelen. Een goede lach is feilloos van een foute lach te onderscheiden.’ Vroeger diende Maassen de foute lacher prompt van repliek, tegenwoordig doet hij dat niet meer. ‘Ik vind het interessanter de zaal te laten lachen zonder uit te leggen dat ik het natuurlijk niet meen. Zo’n grap over hoofddoekjes heb ik ingebed in een zorgvuldig opgebouwd programma met een heel reflectief, bijna moraliserend einde. Als je dan toch wilt denken dat ik een racist ben, jammer dan.’ En dan zegt Theo Maassen: ‘Ik ben blij dat ik op het podium sta en niet schrijf. Zwart op wit staan de dingen een stuk harder. Je voelt de ironie niet. Op het podium ben ik er zelf bij. Ik voel de stemming in de zaal en kan de boel in de hand houden.’

Boze brieven

Het probleem van zwart op wit – bijna alle cabaretiers beginnen er vroeg of laat over. Een grap maken in de intimiteit van de theaterzaal, zeggen ze, is één ding. Maar hem toevertrouwen aan papier, dat is een tweede. ‘Optreden is toch een beetje preken voor eigen parochie,’ zegt Raoul Heertje. ‘De mensen vinden je oké, anders waren ze niet komen kijken. Als je stukjes schrijft, dan bereik je ook mensen die niet op je zitten te wachten.’ Heertje ondervond het zelf aan den lijve: in de drie jaar dat hij een column schreef voor Het Parool was het regelmatig hommeles. Ook Najib Amhali ervoer onlangs de kracht van het geschreven woord, toen hij in een interview in de Vara-gids een Hans Teeuwen-sketch over het in de kont neuken van de koningin citeerde. Een woedende lezer reageerde per omgaande met het voorstel om Amhali ‘met kop en kont over de grens te zetten en nooit meer toe te laten’.

Agressief getoonzette brieven, schuimbekkende reacties op hun website – de meeste cabaretiers vinden het niet leuk, maar leggen het naast zich neer. Soms zijn ze er zelfs stiekem trots op. Bij Najib Amhali prijkt de scheldkanonnade uit de Vara-gids bij wijze van trofee op de muur van zijn kantoor, en ook Heertje kan uiteindelijk smakelijk lachen om de vele boze brieven van joodse Nederlanders. Maar één komediant kon de haatdragende reacties wat minder goed verdragen: Nilgün Yerli.

Niet dat Yerli, op haar tiende vanuit Turkije naar Nederland gekomen, een hardliner is. Sterker nog, ze is de eerste om zichzelf te bestempelen als ‘een zoete tante’. De afgelopen zes jaar oogstte Yerli veel succes met soloprogramma’s vol allochtonentypetjes en liedjes over het leven tussen twee culturen. Bij haar geen kwetsende grappen en bijtende ironie. Yerli (‘noem me maar gerust braaf’) wil begrip kweken, relativeren, verzoenen. Ze spreekt een publiek aan van vrouwen van middelbare leeftijd die nog steeds rotsvast geloven in het warme bad van de multiculturele samenleving. ‘Veel cabaretiers,’ zegt ze, ‘hebben als motto: eerst bombarderen, en daarna de zaak opnieuw opbouwen. Ik wil liever langzaam restaureren. Als je harde grappen maakt, creëer je woede. En boze mensen, die bereik je niet.’

 

Naast haar theaterwerk schreef Yerli de afgelopen jaren ook een wekelijkse column voor dagblad Het Parool. Die ging meestal over dezelfde thema’s als haar cabaretprogramma’s: de vooroordelen en misverstanden rondom allochtonen. Het enige verschil: het stond op papier. Na de moord op Theo van Gogh begon het heftige reacties te regenen. Yerli: ‘Ik kreeg aan de lopende band haatbrieven. Als ik kritisch schreef over Turken, maakten ze me uit voor nestbevuiler. Maakte ik een opmerking over de onverdraagzaamheid van Nederlanders, dan was ik een vuile Turk die moest oprotten naar haar eigen land.’

Dit voorjaar was de maat vol. Yerli zei haar column in Het Parool op, speelde de laatste voorstellingen van haar derde show Bangbang en vertrok naar Turkije. Naast de agressieve bejegeningen was er nog een andere, minder dramatische reden voor haar vertrek: drie jaar geleden stichtte Yerli een gezin met een Turkse tabakshandelaar die zijn thuisbasis heeft in Izmir, en het heen-en-weergependel begon haar op de zenuwen te werken. Maar wat de doorslag gaf in haar besluit, was de explosie aan ‘allochtonerie’ in Nederland. ‘Zelfs vrienden maakten op een gegeven moment geen onderscheid meer tussen allochtonen en moslims. Ik werd er gek van.’

Smeken om een fatwa

In Izmir werkt Yerli aan een boek en wil ze ‘iets voor Nederlanders in Turkije’ gaan doen. Het is wel even wennen om terug te zijn in haar geboorteland. ‘Wat ze zeggen is waar: moslims hebben een minder ontwikkeld gevoel voor humor. In besloten kring maken ze in Turkije wel veel grappen over het geloof en zelfs over de profeet. Maar in het openbaar lachen om de islam, dat is niet mogelijk. Je bent hier pas iemand als je de hele dag met een serieus gezicht rondloopt.’

Wie durft er, in naam van het vrije woord, te smeken om een fatwa? De cabaretiers lopen niet warm voor een islamitische Life of Brian. Zodra ze worden geconfronteerd met Hans Teeuwens gedachte-experiment, beginnen ze terugtrekkende bewegingen te maken. Ze zien het nut er niet van in, zeggen ze, of ze vinden het onderwerp niet interessant. ‘Die profeet valt zó ver buiten mijn belevingswereld,’ zegt Theo Maassen. ‘Een Life of Brian over Mohammed, die zou ik als moslim eerder kunnen maken dan Hans Teeuwen,’ zegt Najib Amhali. ‘Maar ik zou toch op zoek gaan naar een manier om mezelf in te dekken.’

Alleen André Manuel voelt er wel voor. Zijn ogen beginnen meteen ondeugend te stralen bij het idee: ‘Zo’n film over Mohammed, dat lijkt me wel wat. Al die jonge meisjes, geweldig! Ik wil de profeet wel spelen.’ Maar hij corrigeert zichzelf: ‘Misschien is het een beter idee om er Mohammed, the Musical van te maken. Een positieve voorstelling, helemaal niet antimoslim.’

Teeuwen, sinds een jaar cabaretier-af, neemt het zijn collega’s niet kwalijk dat ze terughoudend zijn. Maar de Nederlandse komedianten, zegt hij, moeten niet doen alsof hun matiging voortkomt uit genuanceerdheid. ‘Als je een geëngageerde cabaretier bent, dan kun je toch niet om de islam heen?’ zegt hij. ‘Vroeger zochten cabaretiers juist die onderwerpen op die taboe waren. Nu hoor ik veel van hen zeggen dat ze geen behoefte hebben om grappen te maken over de profeet Mohammed. Ik weet dat het makkelijk praten is voor iemand die niet meer op het podium staat. Maar zeg nou gewoon eerlijk dat je geen trammelant wil.

Dit stuk verscheen eerder in Vrij Nederland.

Duitsers zijn net Nederlanders

melching_klein1.jpgGeschreven voor de rubriek dubbele punt op www.vn.nl:

Nederlanders zijn buitengewoon positief over Duitsland, zo bleek uit een onderzoek van Intermediar. Tien jaar geleden hadden de meeste Nederlanders niet zoveel op met onze oosterburen. Duitslandkenner Willem Melching van de Universiteit van Amsterdam over deze omslag.

De deskundige: ‘In 1993 bleek uit onderzoek van instituut Clingendael dat Nederlandse jongeren een negatief beeld van Duitsland hadden, maar er gebeurde in dat jaar ook veel afschuwelijke dingen bij onze buren. Zo werd het huis van de Turkse familie Genc in Solingen in brand gestoken. Maar liefst anderhalf miljoen Nederlanders stuurden daarop een kaartje met de tekst “Ich bin wütend” naar kanselier Helmut Kohl. Het eindexamen geschiedenis deed Duitsland in dat jaar ook geen goed bij jongeren. De studiestof schetste bepaald geen positief beeld. Ik denk dat over het algemeen de beeldvorming over onze oosterburen sinds het einde van de Koude Oorlog veel positiever is geworden.

Na de eenwording werd Duitsland voor Nederlanders een normaal land. Méér dan alleen het land waar suffe bejaarden met een caravan op vakantie gingen. Duitsland kwam dichterbij en mensen zagen dat er ook leuke dingen gebeurden. Het hippe imago van Berlijn droeg enorm bij aan het positieve beeld van Duitsland onder jongeren. Ook de rood-groene regering van Schröder gaf Duitsland een jeugdigere uitstraling. Voor het eerst sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog hadden Nederlanders niet meer het gevoel dat je in de Duitse politiek voortdurend over oud-Nazi’s struikelde. De ministersploeg bestond volledig uit mensen die de oorlog niet meegemaakt hadden.

Intermediar heeft hoogopgeleiden geënquetteerd . Vooral onder die groep was het imago van Duitsland voeger erg negatief. En onder Randstedelingen. Bij laagopgeleiden en Nederlanders in de grensprovincies was Duitsland altijd populairder. Er werd daar ook veel naar de Duitse televisie gekeken.

Ik merk dat studenten toenemende geïnteresseerd raken in Duitse geschiedenis. Helaas geldt dat niet voor de Duitse taal. Wat je wel ziet is dat Berlijn onder trendgevoelige studenten enorm populair is. Steeds meer mensen vinden Duitsers eigenlijk net Nederlanders. Alleen kunnen ze beter bier drinken.

Ik denk dat wij juist minder populair zijn geworden bij de Duitsers. Dat is een beetje Schadenfreude om het op z’n Duits te zeggen. Duitsland had altijd veel last van corruptie, moorden, terroristische aanslagen en populistische politici. Nederlanders deden daar vaak lacherig over. Maar inmiddels hebben wij ook last van die zaken. Ons schattige imago is er wel zo’n beetje vanaf.”

Pieter Both over Bob Marley

Geschreven voor de rubriek dubbele punt op de website van Vrij Nederland:

Rastaman Vibration

flexodus.jpgOp 11 mei 1981 overleed reggaegrootheid Bob Marley. Deze week wordt zijn vijfentwintigste sterfdag van de beroemde Jamaicaan herdacht met concerten, radioprogramma’s, TV-uitzendingen en concerten. Pieter Both is zanger van de Nederlandse reggaeband Beef. Samen met andere bands brengt Beef in de Amsterdamse Melkweg een hommage aan de Rastazanger.

Door Pieter-Bas van Wiechen

De Nederlandse reggaezanger: “Bob Marley hoorde ik voor het eerst toen ik zeven was. Mijn moeder had de plaat Live in de kast staan, volgens critici nog steeds een van de beste concertregistraties aller tijden. De sfeer van die plaat is geweldig en maakte diepe indruk op mij. Een paar jaar later ben ik zelf platen van hem gaan kopen. Het bijzondere van Bob Marley is dat hij commercieel werd opgepikt maar toch altijd zijn eigen muziek bleef maken.
Helaas ben ik nog nooit op Marley’s geboorte-eiland Jamaica geweest. Met Beef hebben we wel samengewerkt met blazers uit dat land. Ook zijn we een paar keer uitgenodigd om langs te komen. Inmiddels hebben we ook concrete plannen in die richting.
In het repetoire van Beef gebruiken we vaak citaten van reggaegrootheden. Maar van Bob Marley spelen we ook regelmatig een compleet nummer. Als eerbetoon aan hem hebben we onze plaat Flexodus naar Marley’s Exodus genoemd. Zelfs de hoes van deze plaat ziet er bijna hetzelfde uit.
Bob Marley en Reggae zijn belangrijk voor me, maar ik heb altijd ook naar andere muziek geluisterd. Parliament, Funkadelic en Prince. Het liep allemaal door elkaar. Ik ben ook geen Rastafari in religieuze zin. Veel Rasta’s hebben een relaxte levenshouding en die heb ik ook. Tegelijkertijd zijn er ook veel hypocriete dreadlocks. De doctrines en regels in mijn leven bepaal ik zelf. Ik pak van verschillende filosofieën en levensbeschouwingen een graantje mee. Van de Rastafari is dat graantje misschien een wietzaadje.”

Š

CDA versus Lokaal in Ommen

In meer dan 150 gemeenten, voornamelijk op het platteland, is het CDA al jaren de grootste partij. In Ommen hopen de meeste partijen dat het ooit verandert. Misschien wel op 7 maart.

Bij het binnenrijden van Ommen stuiten we op een tamelijk curieuze karavaan, bestaande uit een auto met caravan, een trekker met aanhangwagen, een oud Volkswagenbusje en een truck. Allemaal zijn ze behangen met witte doeken waarop met spuitbus de tekst ‘VVD voor een bereikbaar Ommen’ gespoten is. De laatste zaterdag voor de verkiezingen is ook hier het hoogtepunt van de campagne.

Bij alle kramen horen we hetzelfde: wat zou het fijn zijn als het CDA ein-de-lijk niet meer de grootste was. Dit geluid is het sterkst te horen bij nieuwkomer Lokale Partij Ommen (LPO) die bestaat uit afvallige VVD’ers, CDA’ers en PvdA’ers. Hun belangrijkste standpunt: het moet anders in Ommen. Als CDA-kandidaat Johan Willemsen langs loopt, ontstaat het volgende gesprek tussen hem en Ibe Moerman van de LPO.Willemsen: ‘Spannend hè?’

Moerman: ‘Voor wie? Voor jullie bedoel je.’

Willemsen: ‘Nou voor ons allemaal.’

Moerman: ‘Als de Ommenaren nadenken dan hebben jullie een probleem. Jullie hebben de afgelopen jaren alleen maar grote, lelijke en dure gebouwen neergezet.’

Willemsen: ‘Je hebt het niet altijd in de hand. Je hebt ook te maken met de welstandcommissie.’

Nadat Willemsen is afgedropen, geeft Moerman toch toe dat het spannend wordt. ‘Mensen hebben hier veel kritiek, maar als ze in het stemhokje staan, drukken ze misschien tóch weer op het knopje CDA. Automatisme.’

Capelle a/d IJssel, 16.30 uur: Borrelen met een verliezer

Waar komt de onvrede van de kiezer over de politiek toch vandaan? Met die vraag betreden we jazzcafé In den boekenkast aan het stadsplein van Capelle. Daar ontmoeten we VVD-lijsttrekker Hans Jacobs, al twintig jaar raadslid. Zijn partij werd in 2002 stevig gestraft en verloor drie van de acht zetels. Maar waarom?

Jacobs heeft er geen pasklaar antwoord op. In Capelle is het prettig wonen en er zijn volop sport- en cultuurvoorzieningen voorhanden. Grote groepen schreeuwende actievoerders zijn al jaren niet meer op het Stadsplein gesignaleerd. Ook bij de raadsvergaderingen gaat het er meestal rustig aan toe op de publieke tribune. Jacobs denkt dat mensen bij het uitbrengen van hun stem vooral kijken naar hun directe omgeving. Of de vuilnis op tijd wordt opgehaald, of het groen er goed bijstaat en of de stoeptegels recht liggen.

Probleem is dat veel overheidsdiensten op afstand zijn geplaatst, zegt Jacobs. De gemeentereiniging, de energiebedrijven, de plantsoenendienst. Dat is een landelijke trend, vaak geboren uit noodzaak van bezuinigingen. Konden Capellenaren vroeger met hun klachten bij de gemeente terecht, tegenwoordig worden ze doorverwezen naar de eindeloze keuzemenu”s van de desbetreffende instantie. “Ik heb daar ook wel eens naartoe gebeld. Verschrikkelijk.” Gemeentebestuurders kunnen daardoor minder kordaat reageren als er iets misgaat.

Bovendien worden veel politieke beslissingen tegenwoordig genomen in de “gigantisch ondemocratische club” van de Stadsregio, vindt Jacobs. Zoals bijvoorbeeld het huisvestingsbeleid. De gemeenteraad wordt hierdoor vaak voor voldongen feiten geplaatst en mag niet meepraten. Het is niet zo dat Leefbaar het medicijn heeft uitgevonden dat deze problemen de wereld uit helpt. Jacobs: “Ik vind dat ze zich niet anders gedragen dan de oude politiek.” Leefbaar biedt boze burgers volgens hem alleen een schouder om op uit te huilen, maar dat is uiteindelijk geen oplossing.

De VVD afdeling Capelle gaat vol goede moed de verkiezingsstrijd aan. Met gratis parkeren, meer cultuur, pertinent geen verhoging van de lokale belastingen en de mogelijkheid voor bewoners om meer groen rondom hun huis te kopen of te huren. Na de vorige verkiezingen durft Jacobs, net als zijn Leefbaar-opponenten, geen enkele voorspelling meer te doen over de uitslag op 7 maart. Jacobs: “Ik denk dat veel kiezers pas in de laatste dagen hun stem bepalen.”

Capelle a/d IJssel, 13.30: De eeuwige D66-er

We zijn op de koffie uitgenodigd bij Gé Derksen (75), het langstzittende raadslid van D66 in Nederland.

Zittend aan de eettafel begint de nestor van de Capelse politiek aan een eindeloze reeks hilarische anekdotes over politiek in zijn woonplaats. Vijfendertig jaar geleden wist Derksen met een sublieme publiekscampagne in een keer drie raadszetels te veroveren. “In het land der blinden was eenoog koning”, zegt hij. Met zijn collega”s was hij de gevestigde orde vaak te slim af. “We legden de vinger op de zere plek. Dan kregen we te horen: oh, daar hadden we niet aan gedacht, we nemen de stukken terug, u hoort nog van ons.” Om er vervolgens nooit meer iets van te horen. Derksen: “Dan was het plan gewoon afgeschoten.”

De opkomst van Leefbaar heeft wel iets weg van die van D66, zeggen wij. Derksen vindt van niet. “Leefbaar heeft een geweldige klapper gemaakt en Ans Hartnagel is een beminnelijk mens. Maar ze hebben dingen beloofd die ze niet kunnen waarmaken.” Volgens hem hebben ze hun succes vooral te danken aan “die rare snijboon” Pim Fortuyn.

Het is vooral de landelijke politiek die de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen bepaalt, zegt Derksen. Zo verloor D66 in Capelle zetels toen de partij werd afgestraft voor de onzichtbaarheid in Paars-I. Voor 7 maart vreest hij hetzelfde scenario. “D66 moet afstand nemen van de harde sanering van de verzorgingsstaat. Dat vind ik een godvergeten schandaal. En dat gemekker over kroonjuwelen moet ook eens afgelopen zijn. Juwelen worden alleen maar gejat.”

Echt kwaad krijgen we Derksen als we beginnen over het huidige vreemdelingenbeleid, dat door zijn partij wordt gesteund. Zelf zette hij zich onlangs in voor een asielzoeker die in de bureaucratie verstrikt was geraakt. Hij schreef een briefje aan partijgenoot Boris Dittrich om aandacht voor de zaak te vragen. Het antwoord kwam van het fractiesecretariaat. Derksen: “Ze schreven dat ze als kleine fractie weinig tijd hadden om iets te doen. Ze raadden me aan het bij een andere partij aan te kaarten.” Hij schreef een brief op poten terug. Of hij zijn contributie soms ook beter aan een andere partij kon overmaken.

Vroeger, zo vertelt hij, ging dat wel anders. Zoals die keer dat de politie hem benaderde. Ze hadden een aantal familieleden van de lokale Chinese restauranthouder aangetroffen, zonder paspoort. Kon Derksen niet iets voor ze regelen? Hij pakte de telefoon en belde met toenmalig staatssecretaris van justitie Glastra van Loon. Die gaf hem tips, nummers en namen. Binnen no-time waren de papieren geregeld.

Afgelopen jaar besloot Gé Derksen afscheid te nemen van de Capeller politiek om zo zijn kleinkinderen nog meer te kunnen zien. “Maar die zeiden: opa, daar hebben wij helemaal geen tijd voor”, lacht hij. Aan de komende verkiezingen neemt Derksen slechts deel als lijstduwer. Maar toch. Dat hij op voorkeurstemmen gekozen wordt, is niet denkbeeldig. “Dan”, zegt hij, “ga ik misschien toch nog twee jaar door.”

Luister hier naar Gé Derksen:

[audio:http://www.levenoppluto.nl/audio/20060000_kieskaravaan_derksen.mp3]

Capelle a/d IJssel, 11.30 uur : Leefbaar part I

Vandaag doen we de woonplaats van premier Jan Peter Balkenende aan. In 2002 werd Capelle aan den IJssel getroffen door een fikse dosis Leefbaarheid: 8 van de 33 zetels.

In het college: Leefbaar Capelle (8 zetels), PvdA (5), CDA (4)
In de oppositie: VVD (5), Capels Belang (3), D66 (2), GroenLinks (2), ChristenUnie (2), SGP (2)

We treffen Ans Hartnagel, voorvrouw van Leefbaar Capelle, in de hal van het gemeentehuis. Ondanks de waarschuwing van haar arts dat ze moet uitkijken met haar stem, praat ze onafgebroken tegen iedereen die langsloopt. “Ik ben zo zenuwachtig”, zegt ze tegen een gemeenteambtenaar die rondzeult met een ouderwetse bandrecorder onder zijn arm. “Vier jaar geleden vond ik de verkiezingen lang zo eng niet. Maar ja, toen had ik niets te verliezen.”

In 2002 werden de Capelse Leefbaren in een klap de grootste partij in de gemeente. Na de zure felicitaties van de verliezers in ontvangst te hebben genomen, traden ze met twee wethouders toe tot het stadsbestuur. Een daarvan was Aart Jan Moerkerke, de levenspartner van Hartnagel. Hij ontvangt ons in zijn werkkamer op de tiende etage van het gemeentehuis. We blikken met het tweetal terug op de afgelopen vier jaar.

Zij: “Kijk maar op de vorige verkiezingsposter. Ik ben er zeker tien jaar ouder op geworden.”

Hij: “We hebben heel hard gewerkt. We moesten nog van alles leren.”

Zij: “We willen er altijd zijn voor de Capellenaren.”

Hij: “Mensen bellen ons om drie uur “s nachts omdat de elektriciteit is uitgevallen.”

Zij: “Die willen dat je meteen komt.”

Hij: “Ja, wij zijn heel benaderbaar.”

Al direct na de verkiezingsoverwinning had Leefbaar Capelle een eerste ontmoeting met de weerbarstigheid der gemeentepolitiek. De partij had tachtig extra agenten beloofd. Dit in het kader van de broodnodige veiligheid. Moerkerke: “Al snel bleek dat we daar helemaal niets over te vertellen hadden. De politie valt namelijk onder burgemeester Opstelten van Rotterdam.” Met veel pijn en moeite wist Capelle dertien extra politieagenten bij elkaar te lobbyen. De rest werd niet “blauw” maar “lichtblauw”, in de vorm van toezichthouders. Moerkerke, tevreden: “Uit de bewonersenquete blijkt dat het resultaat heeft. Dan denk ik: daar doe ik het voor. Zoiets is echt een cadeautje.”

Op ons verzoek maken we een kleine rondgang door de gemeente. Het zwembad De Blinkert (gered van de ondergang), de oude dorpskern (met een nieuw recreatieveld langs de IJssel) en de wijk Schollevaar-Oost, die de afgelopen jaren een opknapbeurt heeft gekregen (buurtwerkers, een lik verf en zogenoemde vuurkorfbijeenkomsten). Hoewel zij plannen sneller wilden uitvoeren dan de voorgangers, duurt het Leefbaar nog altijd te lang. Tot 2002 werkte Hartnagel als lokaal journalist. Misschien, denkt ze, kreeg ze destijds sneller iets voor elkaar. “Een lelijk stuk schrijven over het gemeentebestuur was voldoende.”

Het succes van de vorige verkiezingen kwam onverwacht. Zelf schrijven Hartnagel en Moerkerke het toe aan “de onvrede in Nederland” en de politiek die “niet luisterde”. Hartnagel: “Ik denk dat mensen Leefbaar zagen als een volkspartij, wij stonden dichter bij ze.”

Die voedingsbodem, zo vermoedt het tweetal, bestaat nog steeds. De Europese Grondwet, het nieuwe zorgstelsel en de nieuwe armoede. Geen zaken waar een lokaal politicus veel aan kan doen. Moerkerke: “Een beetje dweilen, terwijl Den Haag de kraan openzet.” Toch is het juist die onvrede, die Leefbaar opnieuw de overwinning kan bezorgen. “Als we afgestraft worden, dan heb ik de Capellenaren niet goed begrepen”, zucht Hartnagel. Bij minder dan drie zetels houdt ze het sowieso voor gezien. “Dan kan ik beter een cursus breien gaan volgen.”

Ze pauzeert. Dan: “Ik denk dat Capelle ons nog steeds een beetje nodig heeft.”

Luister hier naar Ans Hartnagel:

[audio:http://www.levenoppluto.nl/audio/20060000_kieskaravaan_hartnagel.mp3]